Hoofdinhoud

De opkomst van de bio-industrie

  • 17.11.2010
Varken wordt geoormerkt
Vergroten
Varken wordt geoormerkt

De varkenspest, BSE-koeien en de MKZ-crisis hebben de discussie over de bio-industrie goed op gang gebracht. Maar wanneer is deze schaalvergroting eigenlijk begonnen?

Naar aanleiding van de recente MKZ-crisis is de discussie over ingrijpende veranderingen in de veehouderij op gang gekomen. Vorige week kwam LTO-Nederland met een “Visie op de toekomst van de veehouderij”. Het is de bedoeling dat er strengere eisen komen en dat vooral de veiligheid van het voedsel, de gezondheid en het welzijn van de dieren belangrijk worden. Maatschappelijk verantwoord produceren en minder transport van dieren staan hoog op de agenda.
Tegenwoordig geldt de Nederlandse landbouw als één van de meest productieve in de wereld. Maar vlak na de oorlog was daar geen sprake van. In de jaren vijftig, toen de welvaart sterk toenam en de lonen begonnen te stijgen, ontstond in de landbouw het besef dat groei niet alleen gewenst, maar ook onvermijdelijk was. In de jaren vijftig, zestig en zeventig stond alles in het teken van het maximaliseren van de opbrengst. Over het welzijn van het dier sprak men niet of nauwelijks. Wat voorop stond, was de welvaart van de mens en dus groei, groei en nog eens groei. De bio-industrie was geboren.

Schaalvergroting

J. Houben, ex-varkenshouder in Limburgse Ysselsteyn
Zoom
J. Houben, ex-varkenshouder in Limburgse Ysselsteyn

J. Houben vestigde zich begin jaren zestig in het Limburgse Ysselsteyn. Hij had een gemengd bedrijf met kippen, varkens en asperges en was vanaf het begin vooruitstrevend bezig; de opbrengst van de aspergeoogst investeerde Houben voortdurend in het bedrijf. Wat hij wilde, was groter worden. Daarmee was hij een typische vertegenwoordiger van de naoorlogse boeren. Toen Houben voor betere opbrengsten moest overschakelen naar de legbatterij, besloot hij zijn kippen te ‘ruimen’. Het was efficiënter om zich te concentreren op de varkens. Het werd daarna een gesloten bedrijf met zeugen en mestvarkens.
In 1961 had hij 160 varkens en in 1968 waren dat er al zo’n 800. “Het was in die jaren veel hosanna. Als je wat ondernam, was het goed. Over het welzijn van het dier werd niet zoveel gesproken; in mijn ogen waren de dieren ‘happy’ en dus was het goed.”
Mechanisatie in de landbouw werd na de Tweede Wereldoorlog toegejuicht. Tot dan toe was de landbouw een achtergebleven sector en het was daarom nodig om te saneren. Boeren moesten een beter inkomen krijgen, de (arbeids)productiviteit moest omhoog en de voedselvoorziening diende voor de toekomst veilig te worden gesteld. Oud-minister van landbouw, S. Mansholt was de grote man achter deze plannen; hij vond dat het de landbouw net zo moest vergaan als de industrie. Te kleine bedrijven werden opgeheven of samengevoegd. Een stimulans was dat er een grote afzetmarkt voor alle landbouwproducten kwam want eind jaren vijftig werd de EEG opgericht. Schaalvergroting, mechanisatie, rationalisatie en specialisatie golden als hoofdthema’s in die tijd.

Vooruitgangsgeloof

E. Ketelaars, oud consulent ministerie van Landbouw
Zoom
E. Ketelaars, oud consulent ministerie van Landbouw

E. Ketelaars kwam in 1960 in dienst bij het ministerie van landbouw. Hij werkte als regionaal consulent van de varkens- en pluimveehouderij in Tilburg en moest de ontwikkelingen in de varkens- en pluimveesector goed volgen. Zijn opdracht was om de boeren zo goed mogelijk voor te lichten en te overtuigen van het belang van schaalvergroting. Het motto in die tijd was: arbeidsrationalisatie. Er moest in zo weinig mogelijk tijd zoveel mogelijk geproduceerd worden. Dat betekende dat zoveel mogelijk gezocht werd naar middelen om de boer minder zwaar te belasten en de arbeidsproductiviteit te verhogen. Mechanisatie was dus onvermijdelijk.

Ketelaars had tijdens een studiereis in Engeland gezien dat kippen in kleine hokjes zaten en op roosters leefden. “De kippen poepten elkaar op de kop. Dat vond ik wel akelig om te zien maar ik vond het wel een boeiend systeem.” De ontwikkelingen gingen verder en Ketelaars zag in dat het batterijsysteem wel degelijk efficiënter was dan kippen die los rond liepen. Dus ook in Nederland kwamen de kippen in de legbatterij terecht. In navolging van de kippen, kregen ook de varkens hygiënische roostervloeren en werden zeugen aan de ketting gelegd. Ketelaars vertelde de boeren: “Alles wat er nu gebeurt, is een autonoom proces. Het is onontkoombaar. Dus ga mee in de groei en de ontwikkeling anders red je het niet.” Het vooruitgangsgeloof was enorm: “Men keek in die jaren met een veel zakelijkere blik naar het dier; de economische voordelen waren het belangrijkst en men stond niet of nauwelijks stil bij het welzijn van het dier.”

Naast het ministerie hadden ook voederbedrijven eigen bedrijfsvoorlichters in dienst. Ook deze voorlichters gaven adviezen. Meestal vertelden ze de boeren: “We willen best terugkomen met een uitgebreider advies, maar dan zult u eerst klant moeten worden bij ons en dan kunnen wij u intensiever begeleiden.” De voorlichters keken naar de resultaten en rapporteerden deze aan het hoofdkantoor. Daar werkte men voortdurend aan de verbetering van de kwaliteit van het voer. Het voer werd samengesteld uit granen, maar vooral ook uit restproducten als tapioca, sojaschroot, sesamresten etc. Deze goedkope grondstoffen voor voer kwamen uit andere werelddelen en werden binnengehaald via de Rotterdamse en Amsterdamse havens. Vanwege de ligging in Europa kon Nederland goedkoop produceren en exporteren.

Eiwitklomp

K. Broekman, bedrijfsleider proefboerderij in Sterksel
Zoom
K. Broekman, bedrijfsleider proefboerderij in Sterksel

Ook de wetenschap was gebiologeerd door de productiviteit. Het eiwitrijke varkensvoer was belangrijk en zorgde voor vettere varkens. Het dier werd steeds meer gezien als eiwitklomp. Kippen werden in steeds kleinere hokjes gestopt en varkens moesten op roosters leven, zodat de mest zo in een put zou vallen. De overheid had begin jaren zeventig een aantal proefboerderijen ingericht waar praktijkonderzoek kon worden gedaan. Wetenschappers maakten studie van alles wat maar kon leiden tot schaalvergroting en verhoging van de opbrengsten.
In het Noord-Brabantse Sterksel werd mede op aandrang van de varkensboeren zelf een proefboerderij opgezet. Bedrijfsleider K. Broekman vertelt dat eind jaren zestig verschillende partijen wilden dat er proefstations kwamen. “Alles was gericht op het stimuleren van de varkenshouderij. Het eerste onderzoek dat we deden was naar de zeug aan de riem. Dat was een ruimtebesparende maatregel en een manier om te voorkomen dat biggen werden gedood doordat de zeug erop ging liggen. Ook werd onderzocht hoe een zeug meer biggen kon baren. Eind jaren zestig lag dat gemiddeld op veertien per jaar. Nu krijgt een zeug gemiddeld vijfentwintig biggen per jaar.

Broekman is nu nog steeds bezig nieuwe technieken te bedenken. Als bedrijfsleider vond hij een paar jaar geleden de zogenoemde ‘bolle vloer’ uit. Mest en urine loopt de vloer af en zakt door een rooster. Eigenlijk heeft iedere periode een belangrijke ontwikkeling. Broekman: "Tachtig procent van alle onderzoeken die we hier hebben gedaan, is overgenomen door de praktijk.”

Grootste varkenshouder

Varkens in grootschalige bio-industrie
Zoom
Varkens in grootschalige bio-industrie

Varkenshouder J. Houben was niet zo gecharmeerd van veevoederconsulenten, voorlichters en anderen met goed bedoelde adviezen. “Anderen kunnen wel vertellen hoe het moet, of beter kan, maar als het erop aankomt, zul je toch zelf maatregelen moeten treffen.” Op het bedrijf van J. Houben werd wat hij verdiende in de eerste jaren weer teruggestopt in het bedrijf: de grootste groei was er tussen 1976 en 1995.
In Ysselsteyn en verre omstreken gold hij als één van de grootste varkenshouders. Het bedrijf telde bij zijn pensioen in 1995 20.000 mestvarkens en 4500 fokzeugen. Nu is zijn bedrijf “Houbesteyn” overgenomen door zijn vier zoons.
Landbouwconsulent Ketelaars was in de groei-jaren zestig heel enthousiast. Hij genoot van de nieuwe ontwikkelingen en was zich niet bewust van de keerzijde van de groei. Toch kreeg Ketelaars in de jaren zeventig het gevoel dat het wel heel hard ging met de capaciteitsvergroting. Hij realiseerde zich dat de schaalvergroting voor de dieren niet altijd positief was. Hij vroeg zich af of het allemaal wel zo bedoeld was en deed nog een voorstel tot beperking van het aantal arbeidskrachten in een bedrijf. Zonder succes. In diezelfde periode begonnen ook de eerste protesten uit de samenleving op te komen.

Reportage: Godfried van Run
Tekst en research: Yfke Nijland

Bronnen

ARCHIEFMATERIAAL

Er is gebruik gemaakt van twee voorlichtingsfilms uit de jaren zeventig van het ministerie van Landbouw: "Doelmatige biggenproductie" en "Het mesten van varkens"

Literatuur

T. Duffhues, Voor een betere toekomst: Het werk van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond voor bedrijf en gezin. (Nijmegen 1996)

Jan Bieleman, Techniek in de twintigste eeuw. (Eindhoven 1997)