Ronde 2
Vragen en antwoorden - Ronde 2
1) De beroemde film Quo Vadis uit 1951 speelt zich af tijdens de christenvervolgingen in het oude Rome onder keizer Nero. Op grond van welke specifieke beschuldiging werden vele christenen tussen 64 en 68 na Chr. in het circus ter dood gebracht?
Nero beschuldigde de christenen van de grote brand in Rome in 64 na Chr. Aanvankelijk werd de keizer ervan verdacht de brand zelf te hebben aangestoken. Om de aandacht af te leiden beschuldigde hij de christenen, die toch al niet al te populair waren. Ze werden in zijn circus op niet al te prettige wijze vermoord – sommigen werden zelfs in brand gestoken om als verlichting te dienen.
2) Op 26 november 1940 hield professor Cleveringa op de Universiteit van Leiden een beroemde toespraak. Waartegen ageerde hij in deze rede?
Cleveringa ageerde tegen de schorsing van de Joodse hoogleraren aan de Universiteit Leiden, waaronder zijn leermeester hoogleraar Eduard Maurits Meijers. Na zijn rede werd hij door de Sicherheitspolizei opgepakt en tot de zomer van 1941 opgesloten in het ‘Oranjehotel’. De Leidse studenten protesteerden met een staking en de universiteit werd gesloten.
Cleveringa werd in 1944 als gijzelaar opgesloten in Kamp Vught, en maakte daarna deel uit van het College van Vertrouwensmannen dat het verzet coördineerde. Eduard Maurits Meijers werd met vrouw en kind gedeporteerd naar Westerbork en later naar Theresienstadt, maar overleefde de oorlog.
3) U ziet een voorpagina van de Volkskrant. Uit welk jaar komt deze?
U zag de voorpagina van de Volkskrant van 17 april 1961. We herkennen onder andere een kop over de inval in de Varkensbaai, en ook wordt er gesproken over de eerste ruimtereis door Joeri Gagarin. Dit jaar precies 50 jaar geleden, en de afgelopen weken uitgebreid in het nieuws.
4) Wat was de naam van de revolutionaire beweging in 1919 in Berlijn?
De revolutionaire beweging die in 1919 en opstand veroorzaakte heette de Spartacusbond. Omdat de Duitse communisten bij verkiezingen waren verslagen, probeerden ze via een staatsgreep de macht te grijpen. Ze waren verenigd in de Spartacusbond, daarom staat hun revolutiepoging ook wel bekend als de Spartacusopstand.
Spartacusbondoprichtster Rosa Luxemburg werd samen met partijleider Karl Liebknecht door rechtse militairen omgebracht. Van haar zijn de beroemde woorden:
‘Orde heerst in Berlijn. Gij stompzinnige beulsknechten! Uw orde is op zand gebouwd. De revolutie zal zich morgen reeds met luide galm verheffen en tot uw schrik onder bazuingeschal verkondigen: ik was, ik ben en ik zal zijn.’
5) In welke oorlog kwamen de meeste Amerikanen om?
De Amerikaanse Burgeroorlog eiste de meeste Amerikaanse slachtoffers: 620.000 Amerikanen lieten het leven. Zowel de Tweede Wereldoorlog als de Vietnamoorlog eiste minder Amerikaanse slachtoffers. Bijna de helft overleed overigens aan ziekten, want de hygiëne in de legerkampen was niet best. Een andere reden was toepassing van Napoleontische tactieken als de charge: omdat men al beschikte over modernere geweren werden de mannen gewoon neergemaaid.
6) Waarom trad minister van Defensie Roelof Kruisinga in maart 1978 af als minister van Defensie?
Kruisinga vond dat de regering krachtiger stelling moest nemen tegen het voornemen van de Verenigde Staten om de neutronenbom te ontwikkelen. Hij had als medicus en christen ethische bezwaren tegen dit wapen, dat mensen doodde maar gebouwen heel hield. Het was de eerste echte crisis in het kabinet-Van Agt I. Er was in Nederland erg veel verzet tegen de neutronenbom. Uiteindelijk besloot president Carter om de neutronenbom niet in productie te nemen.
7) Inburgering is geen fenomeen van de laatste jaren. Welke groep migranten kreeg in de twintigste eeuw in Nederland voor het eerst te maken met een inburgeringsprogramma, dat mede door de kerkelijke instanties werd opgezet?
De repatriërende Indische Nederlanders, die na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland vertrokken, waren de eersten die officieel inburgerden. De repatrianten uit het voormalige Nederlands-Indië werden ondergebracht in pensions of leegstaande gebouwen als kazernes en kregen cursussen gericht op assimilatie.
Er was veel bereidheid om de repatrianten op te vangen, maar ook veel paternalisme. Zo leerden de vrouwen tijdens de inburgering alle vaardigheden die nodig werden geacht voor het runnen van een Nederlands huishouden, waaronder, jawel, aardappels schillen.
8) Dan volgen nu 8 beweringen over het dagelijks leven rond 1600. waar of niet waar…?
1. Rond 1514 woonde bijna de helft van de Nederlanders in een stad. (waar)
De Lage Landen, en later de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waren al vroeg verstedelijkt. Uitzonderlijk voor die tijd; alleen de Italiaanse stadsstaten kwamen qua verstedelijking in de buurt. Mede door deze verstedelijking kon het welvaartsniveau van de Gouden Eeuw gehaald worden
2. De stad Amsterdam begon in 1567 met het uitreiken van een erepenning voor de properste huisvrouw, deze bleef tot 1874 bestaan. (niet waar)
Deze penning heeft nooit bestaan, hij was een verzinsel van de redactie. Maar de Nederlanden stonden wel bekend om hun schone stoepen.
3. Tijdens de Opstand werd in verschillende steden het brouwen van bier tijdelijk stopgezet, omdat het graan beter gebruikt kon worden voor het bakken van brood. (waar)
4. Dat klopt, in tijden van schaarste werd de productie van bier tijdelijk stopgezet. Het graan was dan hard nodig voor de productie van brood. Aangezien bier echter een echte volksdrank was, kon en wilde men dit niet al te lang volhouden. Zodra het mogelijk was werd de bierproductie weer in gang gezet.
5. De Oostzeehandel, was in de Gouden Eeuw de belangrijkste tak van de Nederlandse handel. (waar)
Aan het eind van de Middeleeuwen begon de Oostzeehandel steeds belangrijker te worden. De import van graan was voor de Lage Landen, die kampten met een steeds grotere bevolkingsgroei, van levensbelang. De haring die de Nederlanders op de Noordzee vingen werd gekaakt en naar het Oostzeegebied verscheept. Deze Oostzeehandel wordt vanwege haar belang ook wel de Moedernegotie van de Nederlandse handel in die tijd genoemd.
6. De Nederlanders werden door buitenlanders geroemd om hun goede tafelmanieren: zij aten al vanaf de vijftiende eeuw met mes en vork, een nieuwigheid in die tijd. (niet waar)
Helaas is dit niet waar. Over het algemeen at men met zijn vingers, eventueel gebruikte men een mes. Lepels waren er alleen voor vloeibare zaken als soep en pap. Vorken deden pas rond 1700 hun intrede, maar bleven toen ook nog lange tijd een luxe. Kostbaar serviesgoed bestond wel, maar was alleen weggelegd voor de allerrijksten.
7. Alleen mensen van adel konden in de Gouden Eeuw regent van een stad worden. (niet waar)
Dit is niet waar, sterker nog, regenten kwamen meestal uit de stedelijke bovenlaag van de Republiek. Nadat de Spaanse vorst uit de Republiek was verjaagd slonk de adel ook snel. Dikwijls waren regenten handelaar of koopman. Een vereiste was wel vaak het bezit van enig vermogen, en een goede naam. De regenten moesten immers de beste en voortreffelijkste burgers zijn, om optimaal bestuur mogelijk te maken.
8. Joden konden in de Gouden Eeuw geen lid worden van een gilde. (waar)
De gilden, die tijdens de Middeleeuwen door heel Europa ontstonden, waren conservatieve gemeenschappen waarin een enkele beroepsgroep verenigd was. Veel beroepen kon men alleen uitoefenen als men lid was van het bijbehorende gilde. De gilden beschermden de belangen van de leden, waarborgden de kwaliteit van de producten, maakten prijsafspraken en leidden nieuwe ambachtslieden op. Ook zorgden zij voor elkaars weduwen en wezen en vormden in die zin een sociaal vangnet voor de leden. De gilden waren exclusief, Joden (en doopsgezinden) konden geen lid worden van een gilde. Dit is een van de redenen dat zij zich gingen specialiseren in vakken als geld- en diamanthandel.
9. Al in de Gouden Eeuw kon men óf voor de kerk, óf voor de wet (in het stadhuis) trouwen. (waar)
Dit klopt, men had onder andere in Holland de mogelijkheid of voor de kerk, of voor de wet te trouwen. De kerk stond open voor alle verbintenissen, van welk gezindte men ook was. Wilde men niet voor de kerk trouwen, dan kon een echtpaar zijn huwelijk door een magistraat laten vastleggen, waarmee de verbintenis wettelijk erkend was. Vaak hechtte men vooral waarde aan erkenning van het huwelijk binnen de eigen congregatie, en koos men daarom voor een kerkelijk huwelijk. Was er sprake van enig vermogen van één of beide partners, dan kon een huwelijk bij de magistraat nuttig zijn.