Leeuwarden, 1970 - 1973 Het leven als blikkenmaker

  • 7 maart 2012
  • De pionier / DEEL 7
Kantoor blikfabriek Leeuwarden 1971
Zoom
Kantoor blikfabriek Leeuwarden 1971

Terwijl mijn vader, Lahcen, zijn mouwen opstroopte om in de blikfabriek aan de slag te gaan, wist hij niet dat hij exact negentien jaar later vader zou worden van zijn vijfde dochter. Als de buit binnen was, zou mijn vader weer terugkeren om in Marokko een nieuwe start te maken. De buit viel tegen en van terugkeer naar Marokko was voorlopig geen sprake, hij wortelde zich in Leeuwarden. Mijn vier oudere zussen zijn allemaal in de Friese hoofdstad geboren. Uitgerekend negentien jaar later besloot mijn familie om terug te keren en ben ik, het vijfde kind uit het gezin, geboren op de plek waar het verhaal begonnen is: Rabat-Salé.

'De bussenlijn' (1971)
Zoom
'De bussenlijn' (1971)

De eerste weken in de blikfabriek was wennen voor mijn vader. Hij was blij met zijn nieuwe baan. Het kabaal van de machines was nieuw, maar het werk was “goed te doen”. Overwerken vond hij niet erg. Hij bleef bijna iedere dag een uurtje langer. “Ik werd aangenomen als productiemedewerker op de afdeling ‘Bussen 500’. We maakten blikken, je moest metaal invoeren en dan vlogen de blikken uit de machine. Het vervelendste was het maken van de bodem. Een precies werkje waarbij je vaak je vingers sneed. In het begin wisselden we dit goed af. Het was niet erg als je dan een keer de pineut was.” Lahcen stond doordeweeks op zijn minst negen uur in de fabriek voor minder dan vier gulden bruto per uur. “Wij kregen nog best goed betaald. Arbeiders die voor een andere fabriek werkten moesten het voor minder doen.”

'De stamperij' (1971)
Zoom
'De stamperij' (1971)

Het werk in de blikfabriek beviel. Het eerste jaar ging gemoedelijk. “Ik was erg blij met mijn nieuwe baan. Overuren werden regelmatig gemaakt. Mijn werkdagen werden steeds langer maar dat was niet erg. Ik deed het immers voor het geld.” Lahcen kreeg zijn salaris aan het einde van de maand contant uitbetaald. Een groot deel ging naar zijn familie in Marokko. “We werden enorm gewaardeerd op de werkvloer.” De bazen van de blikfabriek hadden voor de komst van de arbeiders werk in overvloed, wat ten koste ging van het bedrijf. Er waren geen krachten die het werk konden doen. “Onze bazen vertelden ons dat het bedrijf al een lange tijd slecht ging met het bedrijf. Er was veel werk, maar niemand wou het werk doen. Ze zeiden dat het dankzij de gastarbeiders weer goed ging met het bedrijf.”

Na een jaar kreeg Lahcen met een belemmering te maken. Hij sprak de Nederlandse taal niet en voelde zich daardoor buitengesloten. Het werk in de blikfabriek bestond uit verschillende handelingen. Je kon toezicht houden, fysiek werk of routinewerk zoals het controleren op fouten van de vers gedrukte blikbussen. “Ik voelde me benadeeld. De Nederlandse collega’s verdeelden onderling het betere werk, terwijl wij het zware werk en de rotklusjes deden. Als je ziek was, werd je opgehaald door je werkgever. We kwamen niet verder in het bedrijf, er zat een rem op maar veel hadden het wel in zich om meer binnen het bedrijf te bereiken.” Dit was frustrerend voor de Marokkaanse werknemers. De groep die in 1970 geworven was viel al snel uiteen. “Veel van ons zijn na één jaar blikfabriek gestopt”.