Een historische analyse Zestig jaar Israël: de Verenigde Staten en Israël

- Zoom
- David Ben-Goerion roept de staat Israël uit (1948)
Op 14 mei 1948 werd in Tel Aviv rond middernacht in het Museum voor Schone Kunsten door Ben Gurion de soevereine staat Israël uitgeroepen. Elf minuten later werd deze staat door de Verenigde Staten erkend. Waarom erkende Amerika de nieuwe staat zo snel? Door Micha Peters
Een historische analyse
Wat was de specifieke rol van de Amerikaanse zionistische lobby bij het tot stand komen van de moderne staat Israël? En hadden de Amerikaanse presidentenverkiezingen van 1948 wellicht invloed op het besluit tot snelle erkenning van de kersverse staat?
De Near East Division en het State Department
In de negentiende eeuw bleven de Amerikaanse activiteiten in het Midden-Oosten beperkt tot zendingsmissies, het oprichten van onderwijsinstituten, archeologische expedities en een aantal commerciële ondernemingen. Pas in 1909 richtte het State Department een Near East Division op. Dit werd niet gedaan vanwege een speciale acute interesse in Palestina, maar vanwege Amerika's kijk op, en positie in de wereld op dat moment. Deze Near East Division hield zich bezig met Rusland, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, de Balkan, het Ottomaanse Rijk en het gebied dat zich uitstrekte van Perzië tot Abbessinië.
Vanwege de uitgestrektheid van dit domein en de problemen die zich hier voordeden, viel Palestina niet direct op. Het continu toenemende aantal verzoeken van zionistische zijde, voor steun van een nieuw te creëren joodse staat, veroorzaakte een groeiende irritatie onder Amerikaanse diplomaten en politici. Zulke activiteiten werden gezien als an illustration of purely Hebraic and un-American purpose for which our Jewish community seek to use this government, aldus een Amerikaans diplomaat in 1909.
Als belangrijkste taak zag het State Department de bescherming en behartiging van Amerikaanse belangen in het buitenland, en niet het steunen en bemoedigen van een kleine groep van Amerikanen om een andere staat te stichten. Vanuit het standpunt van het State Department bezien zou dit inmenging betekenen in de binnenlandse aangelegenheden van een ander land, met grote kans op verslechtering van bestaande relaties. Dit was zeker het geval in de relatie met het Ottomaanse Rijk.
De relatie was vanouds al ingewikkeld, maar de Amerikaans zionistische agitatie jegens de Ottomaans heerschappij in Palestina zorgde ervoor dat in Constantinopel tegenstrijdige gevoelens ontstonden over de door Amerika gevoerde buitenlandse politiek. Deze verstoorde verhouding zou tot aan het ineenstorten van het Ottomaanse Rijk voortduren.
1.1 Het Midden-Oosten en de Koude Oorlog
Pas na 1945 werd het Midden-Oosten een regio voor Amerika waarmee rekening werd gehouden in het buitenlands beleid. Er waren een aantal redenen voor: grote mogelijkheden voor economische ontwikkeling, het uiteenvallen van de Europese wereldrijken en de aanwezigheid van rijke natuurlijke hulpbronnen. Geopolitiek bleek het ook een interessante regio, daar Afrika, Azië en Europa hier samenkwamen en vanwege de grote toegankelijkheid via tal van waterwegen (de Perzische Golf, de Middellandse Zee, de Zwarte, Kaspische en Rode Zee). Vanuit economisch oogpunt was het Midden-Oosten erg interessant, omdat tweederde van de wereldolievoorraad daar aanwezig was. Strategisch gezien was het een gevaarlijke zone in de Koude Oorlog.
Zowel het Oosten als het Westen wilden hun invloed in de regio vergroten. De teloorgang van de Britse en Franse macht en de herlevende historische drang van Rusland naar controle over de Zwarte Zee en de waterwegen daarnaar toe, speelde hierbij een belangrijke rol. Het feit dat Roosevelt in 1943 in Teheran erop bleef aandringen dat Iran haar volledige soevereiniteit en territoriale integriteit zou blijven behouden (ondanks Stalins aanspraken op dit gebied), kan als bewijs worden gezien voor zijn groeiende interesse in de regio. Ook het feit dat hij na de conferentie van Jalta de politieke leiders van Egypte, Ethiopië en Saoudi Arabië consulteerde, kan in dit licht worden bezien.
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was de situatie in het Midden-Oosten uiterst gespannen. Het Rode Leger trok zich niet terug uit Iran zoals was afgesproken. In plaats daarvan vormde de Sovjets in het noorden van Iran een separatistische beweging. In Turkije liepen de spanningen hoog op toen Molotov op 19 maart 1945 een non-agressie pact herriep, en op 7 juni van dat jaar aanspraak maakte op de Bosperus, een militaire basis in het gebied eiste en de overdracht verlangde van een landstrook in oostelijk Anatolië. Iets later zou Rusland in Griekenland communistische guerrilla's steunen om de bestaande regering omver te werpen.
Ook beweerde Rusland dat de aanwezigheid van Britse troepen in dat land een bedreiging vormde voor de orde aldaar. In de Arabische wereld werd de Britse suprematie ondermijnd door het sterk opkomen van nationalisme. Egypte en Irak waren weerspannig onder hun pseudo-koloniale status.
Transjordanië werd onafhankelijk in maart 1946. Tegen Russische druk in Iran en Turkije reageerden de Verenigde Staten snel en krachtig. Zij steunden de aanklacht van Iran tegen de Sovjet-Unie in de Veiligheidsraad op 19 januari 1946, zodat uiteindelijk in mei 1946 van dat jaar het Rode Leger zich uit dat land terugtrok. De Verenigde Staten steunden ook Turkije in het verzet tegen Moskou's aanspraken op de Zwarte Zee en haar toegangswegen via het water.
1.2 The Long Telegram en de Truman doctrine
De naoorlogse Amerikaanse buitenlandse politiek werd sterk beïnvloed door een rapport dat werd geschreven door een medewerker van de Amerikaanse ambassade in Moskou, George Kennan. Deze stuurde op 22 februari 1946 een telegram (later bekend onder de naam The Long Telegram) naar Washington waarin de politiek van de Sovjet-Unie werd ontleed. Ook deed hij aanbevelingen voor een Amerikaanse reactie op deze politiek.
Kennan wees op de interne functie die de vijandschap met het Westen voor Stalin had. De doelstelling van de Sovjet-Unie om het socialistische kamp te versterken diende serieus genomen te worden. Een deel van dit telegram werd later dat jaar afgedrukt in het blad Foreign Affairs en werd ondertekend door Mister X.
Volgens Kennan was Stalin echter niet uit op een oorlog. Stalin was voor alles een Realpolitiker. Wanneer hij overtuigd was van zijn machtsoverwicht, zou hij zijn positie uitbuiten. Bij twijfel hieraan, of bij een confrontatie met resolute weerstand zou hij waarschijnlijk inbinden. Het advies van Kennan luidde dan ook om bij een confrontatie met Stalin altijd met geweld te dreigen. Zodoende werd voorkomen dat er echt moest worden ingegrepen.
Verder moest de VS de leiding op zich nemen in de democratische wereld. Met veel geduld en vastberadenheid zou het Kremlin dan op de lange duur kunnen worden overtuigd dat verandering van zowel haar binnenlandse- als buitenlandse politiek noodzakelijk was om tot een vruchtbare samenwerking met de VS te komen. Truman was zeer onder de indruk van dit rapport. Zijn optreden in bovengenoemde crises ten aanzien van Iran en Turkije was mede gebaseerd op adviezen uit dit rapport.
In Griekenland waren in de herfst van 1946 problemen van gelijke aard. In september 1946 waren Communistische partizanen in opstand gekomen tegen de door Engeland gesteunde regering. De Sovjet-Unie steunde hen met wapenleveranties. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Bevin had Amerika al enkele malen tevergeefs om militaire steun gevraagd. In februari 1947 kondigde Bevin de Britse terugtocht uit Griekenland aan. Hij maakte de Verenigde Staten duidelijk dat zonder ingrijpen van hun kant, de Griekse regering zou vallen.
Begin maart 1947 vroeg de Griekse regering de Verenigde Staten persoonlijk om hulp. Half maart 1947 hield Truman in het Congres een imponerende redevoering. Deze redevoering zou later de basis vormen voor de Truman-doctrine. Dit hield in dat de Verenigde Staten de verdere verbreiding van het communisme in de wereld wilde voorkomen. De Verenigde Staten zouden naties die bedreigd werden door communistische machtsaspiraties, steunen in hun verzet hiertegen. Onderstaand citaat uit deze toespraak onderschrijft deze interpretatie:
‘I believe it must be the policy of the United States to support free peoples who are resisting subjugation by armed minorities or by outside pressures. I believe that we must assist free peoples to work out their own destinies in their own way.’
In navolging van in de Truman-doctrine gedane uitspraken werd Griekenland militaire hulp toegezegd.
2 Het Amerikaans zionisme
2.1 Amerika en Palestina
Toen de boodschap van Theodor Herzl, de grondlegger van het modern zionisme, de Verenigde Staten eind negentiende eeuw bereikte, klonk deze vele Amerikanen geenszins vreemd in de oren. Amerika had haar eigen sentimentele banden met Zion, die terug gingen tot de zeventiende-eeuwse Puriteinen. De Puriteinen hadden in de Amerikaanse wildernis een nieuw ‘Beloofd Land’ gecreëerd. Iets soortgelijks waren de zionisten in Palestina van plan. Concrete betrokkenheid van Amerika met Palestina was in deze periode minimaal. In 1856 werd in Jeruzalem een consulaat opgericht. Af en toe werd er een beroep gedaan op de consul om de belangen te behartigen van de aldaar levende (joodse) Amerikanen. In 1891 kwam de Blackstone Memorial tot stand.
In deze verklaring, die was ondertekend door 400 prominente Amerikanen, werd gevraagd om de teruggave van Palestina aan de joden. De president werd gevraagd om de wereldmachten hierover te polsen. Het State Department werd geïnstrueerd om te onderzoeken hoe Turkije hiertegenover stond (Turkije voelde hier, zoals te verwachten viel, niets voor).
Het State Department werd in deze periode ook nog op een andere wijze op de hoogte gehouden van de joodse belangen in de regio, namelijk door de Amerikaanse jood Oscar S. Straus. Deze was van 1887 tot 1889 en van 1898 tot 1900 gezant te Constantinopel. Officieel was hij alleen verantwoordelijk voor de rechten van de aldaar levende Amerikanen.
Zo af en toe kwam hij echter ook op voor joodse immigranten en kolonisten. Hij steunde het zionistische programma niet. Wel suggereerde hij Secretary John Hay om Turkije te vragen om Mesopotamië te openen voor joodse vestiging. Met dit verzoek werd niets gedaan.
2.2 Het zionisme in de Verenigde Staten
Vóór de Eerste Wereldoorlog besteedde de Amerikaanse regering weinig aandacht aan het zionisme. De binnenlandse politiek werd gedomineerd door zaken als het aanpassen van de economie aan het publieke belang, het vergroten van het aandeel van het publiek in het politieke proces en het opstellen van sociale voorzieningen voor de kansarmen. Wat de buitenlandse politiek betreft werden de eerste pogingen gedaan om controle te krijgen over Latijns Amerika en het Verre Oosten.
De eerste enthousiastelingen voor het politiek zionisme in de Verenigde Staten negeerden aanvankelijk de politieke intenties van de beweging. Progressieve Amerikanen waren enthousiast vanwege het experimentele karakter van het zionisme. Met name de agrarische en sociale experimenten spraken hen enorm aan.
Anderen bekritiseerden het separatistische karakter van het zionisme, en de hiermee samenhangende kwestie van de ‘dubbele loyaliteit’. Bij deze kwestie ging het erom dat men zowel trouw wilde blijven aan zijn originele etnische afkomst, als dat men een goed geïntergreerde Amerikaanse burger wilde zijn.
De oprichting van de World Zionist Organisation (1887) en de publicatie van Theodor Herzl’s Judenstaat (1896) werden aanvankelijk nogal lauw ontvangen in de Verenigde Staten. Rond 1880 woonden er ongeveer 250.000 joden in Amerika. In de periode 1880-1914 emigreerden er meer dan 2 miljoen joden naar de Verenigde Staten. Sommigen waren zionist, anderen socialist of cultureel nationalist.
Allen hadden een sterk gevoel van etnische solidariteit. In eerste instantie voelde zij zich echter toch Amerikaan. Ze genoten van de politieke vrijheid en de economische kansen die Amerika bood. In het begin waren ze bezig met het zoeken van huisvesting en werk. Ook poogden zij familie te redden die slachtoffer dreigde te worden van Russische pogroms.
2.3 Classical Reform
Joodse sociale en culturele instellingen - synagogen, kranten, liefdadigheidsinstellingen, universiteiten en scholen - ontwikkelden zich snel en dienden zowel ter versterking van het gevoel van etniciteit als ter veramerikanisering. Na de Eerste Wereldoorlog verdrongen de Oost-Europese joden door enorme immigratie de al bestaande joodse gemeenschappen. De eerste joodse immigranten waren voornamelijk van Duitse afkomst.
Religieus gezien waren zij zogenaamd Klassiek Hervormd (Classical Reform) en daarmee zeer liberaal in de joodse leer. De Klassiek Hervormden waren in feite de tegenpolen van de zionisten. In hun rituelen en gebeden vroegen de Klassiek Hervormden weliswaar om de terugkeer naar Zion, maar dit was strikt symbolisch (zij waren zelf geenszins van plan ooit naar Israël terug te keren). Belangrijk voor de Klassiek Hervormden was dat andere volkeren de van hun profeten afkomstige uitspraken over sociale ethiek leerden begrijpen en het liefst overnamen. Als resultaat van optimisme en aanpassingsgezindheid groeide dit zogenaamde Classical Reform in de Verenigde Staten.
Rabbi Isaac Mayer Wise, een belangrijk voorvechter van Classical Reform, benadrukte de overeenkomsten tussen Classical Reform en de American Dream. Classical Reform stimuleerde integratie. Hierom werd het gepredikte judaïsme van alle scherpe randjes ontdaan. Joden hoefden slechts loyaal te zijn aan één nationaliteit, en die kwam overeen met het land waarin zij woonden.
Rond 1880 leek de toekomst van het Amerikaans judaïsme sterk verbonden te zijn met die van Classical Reform. Het was de eerste joodse religieuze beweging in de Verenigde Staten die zich verenigde via een organisatie van congregaties, de Union of American Hebrew Congregations (1873), de Hebrew Union College (1875) en de Central Conference of American Rabbis (1889). De woordvoerders van deze congregaties waren vaak leken in plaats van rabbi’s. Ook stichtten zij enkele jaren later de Jewish Publication Society en de American Jewish Historical Society.
2.4 De American Jewish Committee en het zionisme
Het zionisme verwierp integratie en de gehele melting pot metafoor. Het antisemitisme kon tenslotte niet worden uitgeroeid zolang de joden samenleefden met niet-joden. Alleen met de creatie van een eigen staat konden de joden voorgoed ontsnappen aan het antisemitisme. Bekende joodse Amerikanen als Jacob Schiff en Rabbi I.M. Wise veroordeelden openlijk en direct het zionisme.
Wise verklaarde dat ‘Zionism was a precious possession of the past…but is not our hope of the future. America is our Zion’. Schiff vond het een sentimentele theorie. Het waren de joden uit het establishment die in 1906 de American Jewish Committee (AJC) oprichten. Het AJC was niet specifiek opgericht om het zionisme tegen te werken, het zag de rol van de joden in Amerika alleen geheel anders. Het AJC streefde naar een goed opgeleid en sociaal geïntegreerd Amerikaans jodendom.
Niet alleen de joodse elite van het AJC was tegen het zionisme; de joodse socialisten zagen het als bourgeois nationalisme, terwijl de ultra orthodoxen het zionisme zagen als ‘the most formidable enemy that has arisen among the Jewish people’, omdat dat gods werk, middels politieke actie, eigenhandig trachtte te verrichten. Mede vanwege deze onderlinge verdeeldheid zag het State Department het zionisme louter als een interne joodse kwestie. Maar toen in het eerste decennium van deze eeuw het zionisme voet aan de grond kreeg in Europa, kreeg het dat ook in de Verenigde Staten.
Ook al waren de zionisten klein in getal in deze periode (zo'n 20.000 van de in totaal 2 miljoen in Amerika levende joden) de nieuwe zionisten bestonden voornamelijk uit advocaten, professoren en zakenlui.
Langzamerhand werd het een groep waarnaar Congresleden, vooral in steden aan de oostkust, begonnen te luisteren. Drie belangrijke organisaties werden rond de euwwisseling opgericht: in 1898 de Federation of American Zionists (FAZ), in 1903 Mizrachi (een religieuze instelling) en in 1905 Poale Zion (een vakbond). In 1912 werd ook nog de Hadassah opgericht, een vrouwenvereniging die zich niet met politiek bemoeide, maar speciaal in het leven was geroepen voor gezondheidsprojecten in Palestina.
Zoals alle zionisten in de wereld doneerden de Amerikanen hun jaarlijkse ‘shekel’. Ook zonden zij afgezanten naar de World Zionist Organisation en onderhielden zij nauwe contacten met Europese zionisten. De Amerikaanse zionistische organisaties hielden zich voornamelijk bezig met propagandawerkzaamheden en het inzamelen van geld.
2.5 Het Amerikaans zionisme en Europa
Ondanks dat het Amerikaans zionisme in het begin nogal zwak in de schoenen stond, was er toch een fundamentele basis gelegd voor de toekomst. Het onderscheidde zich duidelijk van de Oost-Europese tegenhanger. Het Oost-Europese zionisme vervulde culturele, nationalistische en emotionele behoeftes van de aldaar levende joodse gemeenschap. De Amerikaanse joden daarentegen hadden nooit blootgestaan aan de negatieve kanten van Europese nationalisme. Ook waren zij zeker van hun politieke rechten. Zij zagen het zionisme dan ook louter als een filantropisch ideaal ten gunste van anderen. De Amerikaanse zionisten waren zelf niet van plan ooit naar Palestina te vertrekken om zich daar permanent te vestigen. Je zou het salon-zionisme kunnen noemen. Er was een rooskleurige toekomst voor de Amerikaanse jood weggelegd. Het feit dat de joden wereldwijd niet werden geaccepteerd in de maatschappij, lag aan de rest van de wereld. In Amerika was dat anders. Deze gedachtegang zou de hoeksteen gaan vormen voor het Amerikaans zionisme. Op deze wijze konden de Amerikaanse zionisten zowel hun Amerikaanse als hun joodse identiteit koesteren.
3 Truman, het State Department en het zionisme.
3.1 Truman en Palestina
Op 12 april 1945 overleed president Roosevelt. Een paar dagen later werd zijn opvolger Truman voor het eerst geconfronteerd met de kwestie Palestina. Secretary of State Edward Stettinius zond hem, op eigen initiatief, een brief waarin hij hem op de hoogte stelde van de controverse die over het onderwerp bestond.
Stettinius beweerde dat de zionistische leiders zo snel mogelijk zouden proberen steun bij Truman te vinden voor hun plan voor onbegrensde joodse immigratie en de creatie van een joodse staat in Palestina. Stettinius presenteerde Truman de algemene opvatting van het State Department aangaande Palestina. Dit hield bijzondere bedachtzaamheid in wat betreft de gehele Midden-Oostenpolitiek en het uitstellen van beslissingen omtrent Palestina tot het einde van de oorlog.
Truman nam het advies van het State Department ter harte. Gedurende de zomer van 1945 begon hij echter te twijfelen aan deze politiek. Hij zag deze steeds meer als inhumaan. Ook begreep Truman dat veel personen binnen het State Department uit strategische -en economische overwegingen neigden naar een pro-Arabische koers. Volgens hem waren er bovendien "some among them who were also inclined to be anti-Semitic."
3.2 Truman en het vluchtelingenprobleem
De Amerikaanse regering wilde nog steeds niet al teveel joden in Amerika opvangen, maar zocht wel naar een oplossing van het probleem. Truman maakte zich zorgen over de joodse vluchtelingen in Europa die een nieuw leven wilden beginnen. De president bleek geraakt te zijn door de resultaten van een rapport dat hij eind augustus 1945 had onvangen van Earl G.Harrison. Harrison was door Truman naar Europa gestuurd om het vluchtelingenprobleem in kaart te brengen.
Uit het verslag van Harrison bleek dat zeker 1 miljoen joodse overlevenden nog steeds in kampen leefden. Deze vluchtelingenkampen waren merendeels omgebouwde concentratiekampen. Vele joodse vluchtelingen wilden een nieuwe start maken en voelden daarom weinig voor terugkeer naar hun vaderland. Harrison's eindconclusie was dat de enige oplossing voor deze vluchtelingen de onmiddellijke evacuatie naar Palestina zou zijn.
De zionisten hadden een plan gelanceerd om Engeland 100.000 nieuwe immigratiecertificaten uit te laten schrijven en Harrison adviseerde Truman om dit plan te steunen. Het State Department reageerde afwijzend op dit voorstel; de Arabieren zouden zich hierdoor bedreigd kunnen gaan voelen. Truman begon echter in toenemende mate geagiteerd te raken door de adviezen van het State Department. Volgens Truman was het State Department more concerned about the Arab reaction than the sufferings of the Jews.
Truman nam Harrisons raad ter harte. Hij besloot de Britten te benaderen om hun immigratiebeperkingen enigszins op te rekken. Op 31 augustus 1945 verzocht hij Clement Attlee om het zionistische voortstel, om per direct 100.000 nieuwe immigratiecertificaten uit te schrijven, serieus te overwegen.
De Britten waren hier niet bepaald van gecharmeerd. Zij reageerden dan ook zeer afhoudend.
In de herfst van 1945 kwam Truman tot de conclusie dat zijn politiek ten aanzien van Palestina in het algemeen geen tevredenheid opleverde. De Britten waren geagiteerd vanwege het verzoek om extra immigratiecertificaten.
Het duurde zeven weken voordat Downing Street reageerde op het verzoek van Truman van 31 augustus. De Britten waren weliswaar bereid om de mogelijkheid van verhoging van de immigratie aantallen te onderzoeken, maar wat betreft de nabije toekomst zou alles bij het oude blijven. Truman haakte in op een Brits voorstel om het vluchtelingenprobleem nader te onderzoeken.
De president stelde aan de Britten voor om een onderzoekscommissie naar Palestina te sturen. Attlee en Bevin waren naarstig op zoek naar mogelijkheden om definitieve oplossingen voor het vluchtelingenprobleem zo lang mogelijk uit te stellen, en gingen daarom vrij snel akkoord met het door Truman gedane voorstel.
3.3 The Anglo-American Committee
Op 13 november 1945 werd besloten tot het formeren van een Anglo-American Committee of Inquiry. Zowel Groot-Brittannië als de Verenigde Staten benoemden ieder zes leden van deze commissie. Op 4 januari 1946 ging deze commissie aan de slag.
Na vier maanden van onderzoek in Europa en het Midden-Oosten publiceerde de commissie op 20 april haar bevindingen. Zij waren unaniem in hun aanbeveling om per direct 100.000 joodse vluchtelingen toe te laten. Met inachtneming van het feit dat de oorlog al bijna een jaar was afgelopen, wees de commissie op het feit dat de meeste joodse vluchtelingen nog steeds in verbouwde concentratiekampen leefden.
Wat betreft de staatsrechterlijke toekomst van Palestina was de commissie tegen de creatie van een joodse dan wel Arabische staat. Er werd voorgesteld om het Britse Mandaat te continueren en dit in de loop der tijd eventueel te vervangen door een trusteeship onder de hoede van de Verenigde Naties.
De Arabieren waren vanwege het voorstel om 100.000 vluchtelingen tot Palestina toe te laten tegen de door de commissie gedane suggesties. De joden waren voor het voorstel om 100.000 vluchtelingen op te nemen, maar teleurgesteld in het feit dat er geen sprake kon zijn van de creatie van een joodse staat.
In Londen werden de resultaten van de commissie bijzonder lauw ontvangen. Voordat Groot-Brittannië officieel reageerde, deelde Attlee het House of Commons mee dat, wat er ook mocht worden besloten met betrekking tot de toekomst van Palestina, de Verenigde Staten mee zouden moeten delen in de financiële en militaire consequenties. Ook viel er volgens Attlee niet te praten over het toelaten van vluchtelingen zolang de joodse milities in Palestina niet werden ontwapend.
Elk verzoek van de Engelsen aan de Amerikanen om troepen naar Palestina te sturen was gedoemd te mislukken. Truman stond onder druk van zijn Joint Chiefs of Staff om in geen geval de toezegging te doen om troepen in Palestina in te zetten in verband met de vredeshandhaving. De Joint Chiefs of Staff meenden dat de inzet van Amerikaanse troepen de Arabieren zou provoceren en daardoor dan als vanzelf in het Sovjetkamp zouden worden gedreven. Daardoor zou ook meteen de controle over de in het Midden-Oosten aanwezige olievoorraden verdwenen zijn. Elke actie tegen de Arabieren zagen zij als bedreigend voor de invloed van de Verenigde Staten in de regio.
Een maand nadat de Anglo-American Committee haar werk had beëindigd, stelde Attlee aan Truman voor om een Brits-Amerikaanse conferentie te organiseren om over de resultaten van de commissie te discussiëren. Truman ging hiermee akkoord.
Een week later werden de verhoudingen tussen Groot-Brittannië en Amerika ernstig verstoord door het ontactische optreden van Bevin. Hij deelde mee dat Groot-Brittannië onder geen voorwaarde bereid was 100.000 vluchtelingen op te laten nemen in Palestina. De Britten hadden tijd en geld geïnvesteerd in het ontwikkelen van een goede band met de Arabieren. Zij waren, vanuit strategisch oogpunt, niet van plan de Arabieren van zich te laten vervreemden.
Het naoorlogse Britse wereldrijk had al genoeg problemen, en het had weinig baat bij een mogelijk verlies van het Suezkanaal en de olie uit het Midden-Oosten. Bevin zei dat wanneer hij extra vluchtelingen in Palestina zou toelaten, hij dan ook een extra divisie Engelse troepen moest inzetten. Dit was zijns inziens te kostbaar.
Ook hadden de Arabieren gedreigd met militair geweld wanneer de adviezen van het comité werden uitgevoerd. Bevin was duidelijk geïrriteerd door de Amerikaanse politiek. Hij suggereerde dat de Amerikanen bleven hameren op opname van extra vluchtelingen in Palestina ‘because they did not want too many of them (Jewish refugees) in New York’.
Op 10 juli 1946 ging een 'cabinets committee' die bestond uit de Secretaries of State, War en Treasury in gesprek met hun Britse tegenhangers om over de resultaten te discussiëren van de Anglo-American committee.
Op 26 juli 1946 werd het verslag van deze gesprekken gepubliceerd; Palestina zou een federale staat worden, met een centrale regering en aparte joodse en Arabische provincies, dit alles onder toeziend oog van Groot-Brittannië. De toelating van 100.000 vluchtelingen zou afhankelijk worden gesteld van toestemming uit de Arabische wereld.
De Arabieren waren tegen het plan omdat er een joodse provincie in Palestina zou worden gecreëerd en de joden waren tegen omdat er met geen woord werd gerept over de creatie van een aparte joodse staat. Ook waren ze ontevreden over het voorstel om het lot van de 100.000 vluchtelingen in Arabische handen te leggen.
Dat het plan van de commissie gedoemd was te mislukken, stond eigenlijk op voorhand al vast. Op 12 augustus 1946 zei Truman tegen Attlee dat hij de uiteindelijke adviezen van de commissie naast zich neer zou leggen.
3.4 De Congresverkiezingen van 1946
Met de Congresverkiezingen van november 1946 in aantocht begonnen vele leiders binnen de Democratische Partij zenuwachtig te worden. Men wilde zich koste wat het kost verzekeren van de Jewish Vote. Wat de zionisten hiervoor in ruil wilden hebben, werd al snel duidelijk: een verklaring van de president waarin hij zijn steun uitsprak voor de creatie van een joodse staat in Palestina.
Na veel geharrewar over de precieze inhoud van de verklaring was het in oktober zover. Op Yom Kippur pleitte Truman voor ‘…substantial immigration into Palestine..at once..and a viable Jewish state in Palestine’. Hiermee stak Truman de Republikeinse kandidaat Dewey de loef af. Dewey had zich al langer een voorstander getoond van een joodse staat, alleen had hij zich daar nog niet duidelijk over uitgesproken. Om Truman alsnog te overtroeven pleitte hij twee dagen later voor de immigratie naar Palestina van enkele honderdduizenden vluchtelingen.
De zionisten namen met genoegen kennis van deze strijd om de gunst van het joodse electoraat. De Engelsen en de Arabieren waren een stuk minder blij met deze verklaring. Eens te meer werd de ambivalente houding duidelijk van de Verenigde Staten in het conflict. Spijtig voor Truman was het effect van zijn verklaring nihil voor de einduitslag van de Congresverkiezingen.
Een Republikeinse overwinning was vanaf het begin van de verkiezingen overduidelijk. Zelfs in New York had Truman's poging om de Jewsih Vote achter zich te krijgen geen resultaat. Daar de Republikeinen de Democraten domweg de schuld konden geven van de enorme inflatie die het land in die periode teisterde, wonnen zij overtuigend de Congresverkiezingen. Zowel in de Senaat als in het Huis van Afgevaardigden kregen zij voor het eerst sinds 1928 de meerderheid.
Tot overmaat van ramp wonnen de Republikeinen ook nog eens in 25 van de 32 niet-zuidelijke staten de gouverneursposten. Niet alleen de inflatie speelde Truman parten, ook zijn onvriendelijke houding tegenover de vakbonden (hij had in 1946 een spoorwegstaking gebroken). Ook de conservatieven had hij tegen zich in het harnas gejaagd met zijn steun aan civil rights and welfare programs.
4 De zionistische lobby en de Verenigde Naties
4.1 Een nieuwe strategie
In februari 1947 vroeg Bevin de Verenigde Naties om de kwestie Palestina onder de loep te nemen. In april verzocht Groot-Brittannië de Verenigde Naties formeel om de Algemene Vergadering voor een speciale zitting bijeen te roepen. Groot-Brittannië stelde voor om deze zitting te benutten om een onderzoekscommissie te formeren die de kwestie Palestina zou bekijken. In een later stadium zou de Algemene Vergadering zich dan buigen over de resultaten van deze commissie.
Op 23 april vond deze speciale zitting plaats. Daar werd het voorstel om een speciale commissie te formeren aangenomen. Deze commissie bestond uiteindelijk uit afgevaardigden van elf naties. Op 13 mei 1947 eindigde de speciale zitting van de VN en enkele dagen later vertrok de speciale commissie (de United Special Commision On Palestine kortweg UNSCOP) naar Palestina.
Het Britse besluit om de kwestie Palestina aan de Verenigde Naties voor te leggen vereiste een nieuwe zionistische aanpak. De oude strategie bestond uit een combinatie van onderhandelen met Groot-Brittannië over toename van het joodse immigranten en het pleiten voor een joods nationaal tehuis. De zionisten gingen zich nu echter voluit richten op de Verenigde Staten voor politieke steun. Indien nodig kon men daarbij van de strategische geografische ligging van Palestina in het Midden-Oosten gebruik maken.
In geval van nood, daarbij inspelend op Koude Oorlog sentimenten, kon men de Yisuv afficheren als bolwerk van democratie tegen elke vorm van totalitarisme in het Midden-Oosten. Van deze politiek werd vooralsnog geen gebruik gemaakt, omdat de Russische steun in de Verenigde Naties hard nodig was.
Een andere wijziging in de zionistische koers betrof de houding ten opzichte van de relatie tussen Amerika en Groot-Brittannië. Van de groeiende financiële moeilijkheden van het Verenigd Koninkrijk diende de Verenigde Staten, aldus de zionisten, optimaal gebruik te maken. Deze strategie werd het eerst gebruikt tijdens de behandeling in april 1947 in het Congres van de Greek-Turkish aid bill.
Hierin werd financiële en militaire steun aan Groot-Brittannië voorgesteld, zodat de Britten zich tegen de Russische expansiedrift in de regio konden wapenen. Pro-zionistische gestemde Congresleden opperde toen de suggestie om in ruil voor deze steun van de Britten te eisen dat zij 100.000 extra joodse vluchtelingen tot Palestina zouden toelaten. Deze suggestie is echter nooit serieus genomen.
4.2 De UNSCOP aan het werk
Op 15 mei 1947 ging de UNSCOP aan het werk. De UNSCOP bestond uit 11 kleine landen, omdat de 'grote vijf' (Amerika, Rusland, Groot-Brittannië, Frankrijk en China) waren buitengesloten . Tussen 26 mei en 31 augustus werden er zestien publieke en zesendertig gesloten bijeenkomsten belegd in Lake Succes, Jeruzalem, Beiroet en Genève. Als vertegenwoordigende organen van bevolkingsgroepen binnen Palestina zelf werden alleen het Jewish Agency en de Arab Higher Committee gehoord
Nadat de UNSCOP haar onderzoekingen had beëindigd kon zij niet tot een unaniem besluit komen. Terwijl Canada, Tsjechoslowakije, Guatemala, Nederland, Peru, Zweden en Uruguay voor een verdelingsplan waren, waren India, Joegoslavië en Iran voor een federale staat.
Daarom werd op 3 september 1947 de Ad Hoc Committee geformeerd om beide opties te bekijken. Hierin hadden alle leden van de Verenigde Naties zitting. In de periode lopend van 25 september tot 25 november 1947 kwam deze commissie 34 keer bijeen. Naar de argumenten en motivaties van de Jewish Agency en de Arab Higher Committee werd weer geluisterd.
Nadat de Ad hoc Committee alle partijen had gehoord, begon de stemming over de resoluties die naar voren waren gebracht door Subcommitttee Two, die het Arabisch standpunt vertegenwoordigde. De eerste resolutie bevatte het voorstel om het Internationale Gerechtshof te laten beslissen over de vraag of de Verenigde Naties wel in staat waren om de Palestijnse kwestie te behandelen.
Dit voorstel werd weggestemd. De tweede resolutie, waarin de vraag centraaal stond of de VN de verdeling van Palestina mocht goedkeuren zonder de instemming van de meerderheid van de Palestijnse bevolking, werd ook weggestemd. In verband met latere ontwikkelingen is het belangrijk om te weten dat Argentinië, Haïti en Liberia de Arabieren steunden. Een derde resolutie, waarin werd voorgesteld om joodse vluchtelingen op te nemen door landen van de VN, werd ook verworpen.
4.3 De zionistische lobby
Op 25 november keurde de Ad hoc Committee het uiteindelijke verdelingsplan goed. Nu moest het plan alleen nog goedgekeurd worden door de Algemene Vergadering. Na de beslissing van de Ad hoc Committee besloten de zionistische leiders om het lot in eigen handen te nemen. Zij deden er alles aan om de meerderheid in de Algemene Vergadering te behalen. Donderdag 27 november was het 'Thanksgiving' dus werd er niet vergaderd. Op 27 november was volgens de New York Times het verdelingsplan gedoemd te mislukken, unless the United States makes strenuous efforts to win over some delegations that otherwise have sided with the United States on major issues.
Toen de Algemene Vergadering op 28 november weer bijeenkwam stelde de Fransman Parodi voor om een extra rustdag in te lassen zodat iedereen zijn gedachten op zijn gemak kon ordenen. Hier ging iedereen mee akkoord. Op 29 november werd het verdelingsplan ter stemming gebracht en met een krappe tweederde meerderheid (33 stemmen voor, 13 tegen en 1 onthouding) aangenomen. Wat was nu de rol van de zionistische lobby in het behalen van deze meerderheid?
José Figueres, ex-president van Costa Rica en vertegenwoordiger van dat land in de VN, ontving van de zionisten een blanco chequeboek. De vrouwen van de Zuid-Amerikaanse vertegenwoordigers kregen allen een bontjas. De Cubaanse afgevaardigde Belt, een fervent tegenstander van het verdelingsplan, stuurde de bontjas van zijn vrouw terug.
De stem van Haïti werd verzekerd door ingrijpen van de Amerikaanse ex-gouverneur Adolph Berle. Berle maakte gebruik van de reeds eerder door Amerika gedane belofte voor toekomstige economische steun.
Hij was zionist en had talloze connecties met het Witte Huis. Op persoonlijke titel stuurde hij een telegram naar de regering van Haïti waarin hij vroeg om van mening te veranderen. Als gevolg hiervan verklaarde de Haïtiaanse VN-afgevaardigde Antonio Vioux, die op 25 november nog tegen het verdelingsplan had gestemd, dat zijn regering uit economische overwegingen had besloten tot verandering van het eerdere standpunt.
Een medewerker van het State Department, Robert Nathan, liet verscheidene Zuid-Amerikaanse landen weten dat hun steun voor het verdelingsplan de door hen zo gewenste aanleg van een Pan American road aanzienlijk verhoogde. Liberia's stem werd ook door ingrijpen van Robert Nathan verzekerd.
De afgevaardigde van Argentinië werd ook bewerkt en bezweek uiteindelijk onder zionistische druk; stemde hij eerst tegen het plan, nu onthield hij zich van stemming.
Het meest opmerkelijk was de ommezwaai van de Filippijnen. Op 26 november had de Filippijnse afgevaardigde, generaal Romula, het verdelingsplan aangevallen. Een dag later stapte hij aan boord van de Oueen Mary, die vertrok richting Europa. Bij zijn vertrek instrueerde hij zijn plaatsvervanger om tegen verdeling te stemmen.
Ondertussen belde de Filippijnse ambassadeur in Washington zijn president, Roxas, om hem te informeren over het feit dat er zware druk op hem werd uitgeoefend om van mening te veranderen. De ambassadeur had een telegram ontvangen, ondertekend door 26 Amerikaanse senatoren, waarin om steun voor het verdelingsplan werd gevraagd. Op dat moment werden er 7 wetsvoorstellen in het Amerikaans Congres behandeld die betrekking hadden op de toekomst van de Filippijnen, dus er viel veel te verliezen.
Romula ontving aan boord van de Queen Mary een telegram waarin hij van de laatste verwikkelingen op de hoogte werd gesteld. Romula zond op zijn beurt een telegram terug waarin hij opdracht gaf om bij het oude standpunt te blijven, tenzij president Roxas anders beval. Op vrijdag 28 november besloot de president het verdelingsplan te steunen.
Hetzelfde telegram dat naar de ambassadeur van de Filippijnen was gestuurd was ook naar twaalf andere ambassades verzonden, waaronder de ambassades van Griekenland en Turkije. Deze landen veranderden hun standpunten echter niet, en stemden uiteindelijk tegen verdeling. Dit is alleszins opmerkelijk te noemen omdat beide landen, en met name Griekenland, in deze periode afhankelijk waren van Amerikaanse financiële en militaire hulp. Waarom Griekenland en Turkije niet wilden buigen voor de zionistische druk, heb ik niet kunnen achterhalen.
5 De Verenigde Staten en de VN
5.1 De UNSCOP en het begin van de Koude Oorlog
Toen de UNSCOP in augustus 1947 haar onderzoeksresultaten bekendmaakte, werden deze door zowel de Republikeinen als de Democraten in Amerika enthousiast ontvangen. Ook de meerderheid van de Amerikaanse joden was enthousiast. De positie van de Amerikaanse regering was onzeker.
Het UNSCOP rapport maakte aan de ene kant de zionistische aanspraken gemakkelijk te verdedigen. Ten eerste was er nu een bewijs geleverd dat de zionistische aanspraken niet per se, wat de Arabieren vaak beweerden, een equivalent waren van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Ten tweede werden zionistische aanspraken nu ondersteund door de VN. Maar aan de andere kant bracht het sommige groepen in de VS op een aantal punten aan het twijfelen.
De militair-strategische positie van Palestina werd niet onderschat. Als mogelijke basis voor militaire acties tegen Rusland was het een uitstekend gebied. Palestina beschikte immers over havens, een lange uitgerekte kuststrook, lag vlakbij het Suezkanaal en er waren prima mogelijkheden voor de aanleg van vliegvelden. Het zionisme veroorzaakte verontwaardiging in de gehele Arabische wereld. Ook leken de Arabieren makelijker te beïnvloeden dan de zionisten. Het was dus belangrijk om niet te duidelijk de zionistische kant te kiezen in het conflict.
Het State Department bestond van oudsher uit Anglofielen. Wanneer de VS Engeland wilde blijven beschouwen als een belangrijke macht in de vrije wereld, dan zou de VS tegen het zionisme moeten zijn. Het zionisme werkte Engeland namelijk enorm tegen.
Ook speelden er oliebelangen mee. Een pro-Arabische politiek verdedigde deze het beste. Verenigd in een gemeenschappelijk verzet tegen het zionisme, vonden deze groepen duidelijke argumenten tegen het verdelingsplan.
Daar Engeland het UNSCOP rapport niet steunde, zou het ten uitvoer brengen van het plan afhankelijk zijn van samenwerking tussen Amerika en Rusland. Voor deze politiek was de Amerikaanse publieke opinie nog niet gereed. Daarbij zou het haar eigen containment politiek kunnen ondergraven wanneer zij het Britse beleid in het Midden-Oosten niet zou steunen. De Arabische naties dreigden met een Derde Wereldoorlog als de VS het verdelingsplan zou steunen. Ook al was dit dreigement wat overdreven, toch konden de Arabieren in het ergste geval in het Sovjet kamp belanden en aldus de Amerikaanse invloed in de moslimwereld terugdringen.
Van september tot november 1947 behandelde de Algemene Vergadering het UNSCOP rapport. Op 11 oktober verklaarde Herschel Johnson dat de VS het verdelingsplan zou steunen.
Deze mededeling veroorzaakte verontwaardiging in zowel het Britse als het Arabische kamp. Het was een unieke gebeurtenis: het was voor het eerst dat de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie het in de VN eens waren over een belangrijke kwestie. Toen eenmaal het voorstel van verdeling door de VN was goedgekeurd, ging het vervolgens om hoe de grenzen van de nieuwe staten zouden gaan lopen en hoe het plan ten uitvoer zou worden gebracht.
De VN kwamen overeen om een comité in het leven te roepen om de twee nieuwe staten op hun aankomende onafhankelijkheid voor te bereiden. De VS waren echter tegen het sturen van eigen troepen, en al helemaal tegen het inzetten van Sovjettroepen. Ook beschikte de VN nog niet over een multinationaal leger dat onder de VN-vlag opereerde. Het succes van het verdelingsplan was geheel afhankelijk van samenwerking tussen de joden en de Arabieren.
De UNSCOP kwam tot de aanbeveling het mandaatgebied Palestina te verdelen in een joodse en een Arabische staat, te vormen in overeenstemming met de joodse en Arabische bevolkingsconcentraties. De heilige steden Jeruzalem en Bethlehem zouden in de visie van UNSCOP een internationale status krijgen.
Dit plan kwam op 29 november 1947 als resolutie 181 in stemming in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het werd uiteindelijk goedgekeurd met 33 stemmen vóór (onder andere de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, de Europese communistische staten, Frankrijk, België, Nederland) en 13 tegen (de Arabische staten, Turkije, India, Pakistan), bij 10 onthoudingen (onder andere Groot-Brittannië). De politieke leiding van de joden in Palestina aanvaardde het verdelingsplan eveneens. De Arabische Liga verwierp het echter nadrukkelijk.
Precies één maand na het besluit van de VN stelde rabbi Silver in Amerika het geweld van de Arabieren in Palestina ter discussie. Volgens Silver deden zij dat om de VN te intimideren en het verdelingsplan te saboteren. De zionistische leider deed een beroep op de Verenigde Staten om actief te participeren in het ten uitvoer brengen van het verdelingsplan (zoals zij hadden gedaan in hun antwoord op de crises die waren ontstaan in Griekenland en Turkije).
Wanneer de VN en de VS niet bereid waren om actief te participeren, dan zou Palestina eindigen in een slagveld. Het toenemende geweld in Palestina onderschreef deze stelling. De onwil om zich actief te mengen in het conflict werd alleen maar vergroot door de intensivering van de Koude Oorlog in de periode 1947-48.
Onderlinge competitie en verdachtmakingen werden versterkt door het Marshallplan, de creatie van de Komintern, de kwestie Duitsland en de val van Tsjecho-Slowakije. In Amerika werden verdachtmakingen van communisten onderzocht door the House of Un-American Activities Committee.
In deze sfeer zou actieve samenwerking met de Sovjet-Unie in de kwestie Palestina ondenkbaar zijn. Daarbij was het nog maar de vraag of Russische troepen, wanneer zij Palestina eenmaal waren binnengetrokken, ooit bereid zouden zijn om zich weer terug te trekken. Ook vroegen de Amerikanen zich af, waarom zij troepen naar het Midden-Oosten zouden sturen, terwijl de situatie in Europa steeds explosiever werd.
5.2 Ommezwaai van de Verenigde Staten
Eind februari 1948 verklaarde Warren Austin, Amerikaans afgevaardigde in de VN, dat de Veiligheidsraad niet bij machte was om troepen te sturen om het verdelingsplan kracht bij te zetten. Dit was een antwoord op een verzoek van de Jewish Agency (deze had om de inzet van een internationale troepenmacht gevraagd). Bang voor een ommezwaai in de VN, richtte Weizmann zich tot Truman. Eddie Jacobson (een oude joodse dienstmaat van Truman) fungeerde hierbij als tussenpersoon. Deze wist de president over te halen om de zionistische leider te ontvangen. Op 18 maart verzekerde Truman Weizmann dat hij nog steeds achter het verdelingsplan stond. Volgens Truman's memoires wisten beide mannen aan het eind van hun ontmoeting precies waar zij aan toe waren.
De volgende dag stelde Austin een nieuw plan voor aan de VN; een onmiddellijke wapenstilstand in Palestina, het verwerpen van het verdelingsplan en in plaats daarvan een trusteeship. Aangezien dit één dag na Trumans toezeggingen aan Weizmann gebeurde, kwam dat voor de zionisten over als een steek in de rug. Ook Truman was compleet verrast. Hij had geen toestemming gegeven voor het nieuwe voorstel, al had hij wel ingestemd met het trusteeship-voorstel als alternatief in geval van nood.
Om zijn persoonlijk prestige en dat van de VS en de VN te redden was Truman echter niet bereid om het verdelingsplan te laten vallen. Hij liet Weizmann weten dat de nieuwe Amerikaanse houding geen verandering inhield van de lange termijn politiek. Aan de andere kant was hij niet bereid om de verdeling met geweld af te dwingen. De gebeurtenissen sinds november wijzen uit dat de kwestie, zonder bemoeienis van buitenaf, niet op te lossen viel.
De situatie in Palestina verslechterde snel, en zoals zovelen dacht Truman dat continuering van de oorlog de Yisuv zou vernietigen. Daarom wilde hij een wapenstilstand om het conflict te beëindigen. Met door Truman gedane voorstellen om zo’n wapenstilstand daadwerkelijk te verwezenlijken, werd door zowel de joden als de Arabieren negatief gereageerd.
Een memorandum van de senaat en een verklaring van minister Marshall voor de Senate Foreign Affairs Committee, enkele maanden later, brachten nieuwe motivaties voor het trusteeship-voorstel aan het licht. Zo zou door een trusteeship de stationering van Russische troepen worden omzeild, iets wat het verdelingsplan juist voorstelde. Het voorstel hield de supervisie in van de United Nations Trusteeship Council, waarin Rusland niet was vertegenwoordigd.
Verder zou dit voorstel in tegenstelling tot het verdelingsplan (wat een politieke oplossing inhield) het gebruik van troepen rechtvaardigen, omdat de trustees verantwoordelijk zouden zijn voor de vredeshandhaving. Zodoende konden de Verenigde Staten militairen in Palestina stationeren, en daarmee een voorsprong nemen op de Sovjet-Unie.
6 Truman en de verkiezingen van 1948
6.1 Clark Clifford
In juni 1946 werd Clark McAdams Clifford, een jonge advocaat uit St. Louis, door Truman persoonlijk benoemd als speciaal adviseur. In november 1947 kreeg hij zijn eerste grote opdracht toegewezen. Hij moest in grote lijnen de koers uitzetten voor de presidentsverkiezingen van 1948.
Clifford presenteerde enige tijd later een document waarin deze koers werd beschreven. Nadat Truman het document had gelezen, ging hij er grosso modo mee akkoord. Dit document zou de blauwdruk worden voor de verkiezingscampagne van 1948.
Clifford had correct voorspeld dat gouverneur Dewey de Republikeinse nominatie zou winnen en dat Henry Wallace de kandidaat zou worden voor een derde onafhankelijke partij. Om Wallace de wind uit de zeilen te nemen, adviseerde Clifford Truman om wat betreft de binnenlandse politiek een stap naar links te doen. Ook adviseerde hij om Roosevelt’s New Deal poltiek voort te zetten (deze politiek zou de Fair Deal gaan heten), om zodoende aanspraak te kunnen maken op de stemmen van de arbeiders, boeren, Afro-amerikanen en katholieken.
Toen Clifford zijn adviesrapport schreef, was hij er nog niet van overtuigd dat de steun van het joods electoraat afhankelijk was van het varen van een pro-zionistische koers. Naarmate de verkiezingen dichterbij kwamen, stelde hij zijn koers bij. Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat het joods electoraat een doorslaggevende factor zou gaan vormen voor de verkiezingen. In mei 1948 werden Clifford’s pro-zionistische adviezen merkbaar. Hoe dichter de verkiezingen naderden, des te pro-zionistischer leek Trumans politiek.
6.2 De erkenning van een nieuwe staat
Het trusteeship-voorstel had Trumans imago flink beschadigd. De joodse gemeenschap was zwaar teleurgesteld. De Democraten waren bezorgd over het feit in hoeverre dit effect zou hebben op de verkiezingen in november dat jaar. Dit gold vooral voor de Democraten in New York City.
Deze onzekerheid escaleerde zelfs zover dat in april 1948 de Democratic State Committee de nominatie van Truman niet kon garanderen. Ook van zionistische zijde werd er actie ondernomen. Bij een protestmars in New York City tegen het trusteeship voorstel waren 100.000 sympathisanten aanwezig. Bij een soortgelijke bijeenkomst enkele dagen later in het Yankee Stadium waren 30.000 mensen.
Ondertussen was alle hoop op een wapenstilstand (zoals in het trusteeship plan werd voorgesteld) in Palestina vervlogen. Op 12 mei 1948 werd er in het Witte Huis een speciale zitting belegd over de kwestie Palestina. De belangrijkste aanwezigen waren, naast de president, de adviseurs Niles en Clifford, de minister van Buitenlandse Zaken Marshall en zijn onderminister, Robert Lovett.
Volgens Clifford was het, met de verkiezingen in het vooruitzicht, verstandig om de zionistische lobby van te voren in te lichten over wat de Amerikaanse plannen waren wat betreft de eventuele erkenning van een nieuwe staat Israël. Clifford stelde voor om de joden de belofte te doen Israël bij voorbaat te erkennen. Met ander woorden; de joden zouden bij het uitroepen van hun onafhankelijkheid, hoe dan ook, zo snel mogelijk door de Verenigde Staten erkend worden.
Door deze belofte van voortijdige erkenning zou Truman een hoop van zijn verloren aanzien in de joodse gemeenschap herwinnen. Onderminister Robert Lovett was het hier niet mee eens. Deze gang van zaken zou volgens hem in strijd zijn met het internationaal recht, omdat men zich zou bemoeien met het functioneren van een reeds bestaande staat.
Volgens Lovett zou het beter zijn om enige afstand te nemen. Wanneer de nieuwe regering op lange termijn had bewezen goed te functioneren, dan zou men formele erkenning kunnen overwegen.
Het waren vooral Lovett en Clifford die het woord voerden tijdens deze bijeenkomst. Marshall wenste zo min mogelijk bij de gehele kwestie betrokken te worden. Hij vond dat er teveel naar binnenlandse factoren werd gekeken bij het bepalen van de politiek ten aanzien van Palestina. Na de bijenkomst zorgde Lovett ervoor dat Clifford een schrijven ontving van Ernest A.Gross, de juridisch adviseur van het State Department. Gross onderschreef de stelling van Lovett dat de belofte tot voortijdige erkenning van Israël in strijd was met het internationaal recht.
Op 14 mei besloot Truman echter toch, ondanks de adviezen van Lovett, tot een vroegtijdige erkenning van Israël. Clifford belde hierop Eliahu Epstein, de vertegenwoordiger van de Jewish Agency in Washington, en informeerde hem over het besluit van Truman. Voordat dit besluit echter kon worden uitgevoerd, moest er eerst een verzoek tot erkenning komen van deze nieuwe staat. Daarom wilde Clifford de preciese tijd weten van de onafhankelijkheidsverklaring.
Ook wilde hij weten of er een voorlopige regering werd gevormd. Toen hij hoorde dat dit het geval zou zijn, werd besloten tot de facto erkenning in plaats van de jure. Hij kreeg te horen dat die dag om twaalf uur ’s nachts in Palestina (zes uur ’s avonds in Washington) de onafhankelijkheidsverklaring zou worden uitgesproken.
Het mandaat van Groot-Brittannië zou die dag precies om middernacht aflopen. Om dit historische moment kracht bij te zetten werd in Haifa de Union Jack officieel gestreken en voer de British High Commisioner, Sir Alan Cunningham, de haven van deze stad uit. Iets later werd in Tel Aviv tijdens een plechtige bijeenkomst in het Museum voor Schone Kunsten, de soevereine staat Israël uitgeroepen. Elf minuten later legde in Washington de persvoorlichter van Truman, de heer Alex G.Ross, de volgende verklaring af:
The Government has been informed that a Jewish state has been proclaimed in Palestine and recognition has been requested by the provisional government thereof. The United States recognizes the provisional goverment as the de facto authority of the new State of Israel.
Ale moeite die was gedaan om het electoraat van New York over te halen om tijdens de presidentsverkiezingen op Truman te stemmen, bleek echter tevergeefs. Truman verloor, maar met slechts een klein verschil. Van de meer dan 6.100.000 te winnen stemmen in New York City, won Dewey er maar 60.959 meer dan Truman. Dat was minder dan 1% van het totaal aantal stemmen!
Extra afbeeldingen
- Zoom
- David Ben-Goerion roept de staat Israël uit (1948)
- David Ben-Goerion roept de staat Israël uit (1948)