Twee onderzoekers van het NIOD in OVT Het Srebrenica-rapport en de archieven
Het Srebrenica-rapport is op 10 april 2002 officieel uitgekomen en er wordt flink gediscussieerd over de conclusies. OVT sprak met twee van de onderzoekers over de werkwijze. Hoe is het om met een klein team aan een gevoelig rapport te werken en bleven er archieven gesloten?
Twee onderzoekers van het NIOD in OVT
Onderzoekers Peter Romijn en Albert Kersten geven het volmondig toe in OVT: ze zijn zeer opgelucht dat het rapport eindelijk af is. Ruim vijf jaar konden ze alleen met hun collega-onderzoekers openlijk over het rapport spreken. Nu kunnen ze eindelijk met de buitenwereld in discussie gaan.
OVT richtte zich in de uitzending van 14 april vooral op de werkwijze van de onderzoekers. Die gaven aan dat ze begonnen met inlezen en het formuleren van vragen. Daarna gingen ze de archieven in, waar ze over het algemeen te zien kregen, wat ze wilden zien. Hoewel er ook archieven waren die voor hen gesloten bleven, zoals bijvoorbeeld de Servische archieven en het archief van de secretaris-generaal van de NAVO.
Er werden ook ruim 900 mensen geinterviewd. Politici, militairen, Dutchbatters en bewoners van Srebrenica. Vooral de gesprekken met die laatste groep waren nogal zwaar.
De onderzoekers kregen bergen vertrouwelijke stukken mee, die in zes manshoge kluizen in het NIOD werden opgeslagen. Ze hadden een bovenverdieping van het NIOD tot hun beschikking, afgesloten van de rest van het instituut.
Volgens de onderzoekers gingen ze niet helemaal als historici te werk. Door de gevoeligheid van het onderwerp konden ze het materiaal niet in de openbaarheid bespreken. De buitenwereld kon niet geconsulteerd worden.