Main Content

Ongeschreven regels tussen vijandige legers in de loopgraven WO I: Het leven-en-laten-leven-systeem

  • 18 november 2002
In Flanders Fields Museum
Zoom
In Flanders Fields Museum

De Eerste Wereldoorlog is bekend om de gruwelijke veldslagen. Dat de vijandelijke legers soms prima met elkaar overweg konden, is minder bekend.

Ongeschreven regels tussen vijandige legers in de loopgraven

Tijdens de eerste Kerstmis van de Eerste Wereldoorlog in 1914 verbroederden de vijandelijke troepen aan sommige delen van het front zich met elkaar. Dit werd afgekeurd door de leiding van de legers. Kerstmis werd in de jaren daarna niet meer op die manier gevierd. Toch ontwikkelden de troepen een systeem van afspraken, die het leven voor iedereen aan het front dragelijker maakte.

“In een sectie ging men ervan uit dat het uur tussen 8 en 9 's morgens gewijd was aan 'privé-aangelegenheden' en dat bepaalde plaatsen die met een vlag waren aangegeven, voor sluipschutters van beide kanten verboden terrein waren.” Deze anekdote is te vinden in 'De evolutie van de samenwerking' van Robert Axelrod.

De speltheoreticus en politicoloog Axelrod wilde weten, hoe dit soort samenwerkingsverbanden tot stand konden komen in zulke extreme omstandigheden. Immers, het front is niet de aangewezen plaats om te kijken of de vijand zich wel aan die afspraak houdt. Wat is een zo'n vlag waard op een plek waar twee partijen tegenover elkaar liggen met het doel elkaar uit te schakelen?

Dat het ook bijna mis kon gaan bleek uit een plek aan het front, waar Duitse en Britse soldaten op de verschansingen zaten, zonder elkaar lastig te vallen. De vrdeige situatie werd wreed verstoord door een plotselinge Duitse salvo. De Duitsers en Britten doken op de grond. De Britten vervloekten de Duitsers, omdat ze het leven-en-laten-leven-systeem hadden doorbroken.

Een dappere Duitse soldaat klom op zijn verschansing en wist de situatie te redden:’Dat spijt ons heel erg; we hopen dat niemand gewond is geraakt. Het is niet onze schuld, het is die verdomde Pruisische artillerie’.

Soms ontstond deze situatie uit het slechte weer. Robert Graves meldt in zijn autobiografie ‘Dat hebben we gehad’, dat hij van een dergelijk geval had gehoord. De loopgraven aan beide kanten waren zodanig overstroomd, dat men gedwongen was om eruit te komen. Daarop ontstond een spontane wapenstilstand.

Aangezien dit soort openlijke wapenstilstanden eenvoudig gesignaleerd konden worden, voerden de eenheden een toneelstukje op voor de hoge officieren. De Duitse artillerie beschoot de Britten aan de overkant, maar op een speciale manier. De Britten konden er de klok op gelijk zetten, wanneer en waar de granaten in zouden slaan. Ze zorgden gewoon dat ze uit de buurt van die plaatsen bleven.

Ook de Britten gebruikte dezelfde methode. Elke avond om zeven uur schoten de ze hun ‘avondkanon’ af. Ze mikten steeds op dezelfde plaats, zodat sommige Duitsers aan de overkant het als een attractie begonnen te zien. Ze kropen even voor zevenen een stukje uit de loopgraaf, om te zien hoe het werd afgeschoten.

Dit plichtmatig en routineus schieten had een dubbele boodschap. De soldaten deden alsof ze agressief waren ten opzichte van de vijand en het opperbevel kreeg de indruk dar er stevig gevochten werd. Ondanks het gebrek aan vriendschappelijke banden en geheel verschillende belangen, kon er dus een vorm van samenwerking ontstaan.

De druk van het opperbevel op de manschappen was aanzienlijk tijdens grote veldslagen. Maar tussen veldslagen in was deze controle een stuk minder groot. Het leven-en-laten-leven-systeem eindigde doordat er op een nieuwe manier van vechten werd ingevoerd in niemandsland.

Er werden kleinschalige overvallen georganiseerd, waar tien tot tweehonderd manschappen bij betrokken waren. De overvallers kregen het bevel om de vijand in zijn eigen loopgraaf gevangen te nemen of te doden.

Een groep overvallers kwam dus of terug met gevangenen, of met verliezen. Het was onmogelijk geworden om te doen alsof er een overval gepleegd was. Samenwerking was ook geen mogelijkheid, omdat het uitwisselen van gevangen of lijken niet haalbaar was.

Joris Smeets

Bron:
Robert Axelrod ‘De evolutie van de samenwerking’ (Uitgeverij Contact, Amsterdam 1990)