Gerestaureerde stad werd tot ruïne geschoten WO I: Ieper in 1914

- Zoom
- Lakenhal en Belfort in Ieper
Einde negentiende eeuw werd besloten dat het centrum van Ieper gerestaureerd moest worden. In 1914 was het bijna af. De steigers stonden nog opgesteld, op het moment dat de Duitsers de stad aanvielen.
Gerestaureerde stad werd tot ruïne geschoten
Ieper was in de negentiende eeuw een toeristische stad, met een zelfde soort reputatie als het nu veel bekendere Brugge. De grote trekpleister van de stad was de Lakenhal, het grootste niet-religieuze neogotische gebouw van Europa. In 1914 stond de Belfort, de toren van het enorme gebouw in de steigers vanwege deze restauratie.
De Belgen hadden niet gerekend op de inval van de Duitsers in augustus 1914. België was net als Nederland neutraal, het was niet verbonden door verdragen met de landen die zich in de Eerste Wereldoorlog stortten. In tegendeel zelfs, want er was juist een verdrag van de machtige landen van Europa, waarin de neutraliteit van België verzekerd werd.
Maar Duitsland had het grondgebied van België nodig op het befaamde Von Schlieffen-plan tot uitvoer te brengen. De Duitse troepen trokken via België om de Franse legers heen, die aan de Frans-Duitse grens stonden opgesteld. Daarna trokken ze op naar Parijs.
De Belgen stribbelden tegen de verwachting van de Duitsers hevig tegen. Want het Belgische leger was immers kansloos tegen de Duitse overmacht. Hevige gevechten volgden, waarin de Belgen steeds de verliezende partij waren. Uiteindelijk konden de verdedigers zich in het zuidwesten van het land achter een strook onder water gezet land bij de rivier de IJzer handhaven.
Ook Ieper werd bijna veroverd door de Duitsers. Ze hielden de stad korte tijd bezet, maar werden er weer uitgejaagd. De Duitsers bezetten daarop de heuvels rond Ieper, die in een halve cirkel om de stad heen liggen.
De Belfort, de toren van de Lakenhal, werd in brand geschoten en stortte in. De steigers stonden er vanwege de restauratie nog omheen. Het tafereel is beschreven door een getuige.
‘Den 22sten November [1914] komt er al met eens eene razernij over de vijand: hij schiet, zou men zeggen, met alles wat er onder zijne hand valt en de lucht huilt met een kruisvuur van bommen, geslingerd door veertig kanonnen, uit drie hoeken te gelijk’, schreef de Vlaamse auteur Caesar Gazelle in zijn oorlogsdagboek ‘De dood van Ieper’.
Na enige tijd begonnen de Belgen samen de Britten en de Fransen het front van loopgraven tegen de Duitsers te vormen. Het liep vanaf de Belgische kust naar Zwitserland en zou uitgroeien tot een statisch complex van eindeloze loopgraven. De Belgische soldaat die het dichts bij de kustlijn stond was letterlijk de eerste man aan het front.
Het waren de Britten die de ondankbare taak kregen het gebied rond Ieper te verdedigen. De Duitsers konden vanaf de heuvels eenvoudig de stad beschieten. Er bleef in de vier jaar van de belegering weinig van over. De neogotische Lakenhal, de trots van Ieper, werd gereduceerd tot een hoop steen waar de resten van een toren nog wat bovenuit staken.
De bewoners trokken snel uit Ieper weg, zodat de het in mei 1915 helemaal Brits was. Een vreemde speling van het lot, want in 1383 belegerden de Engelse samen met de Gentenaars dezelfde stad.
Het front aan de IJzer, ten noorden van Ieper, was relatief rustig, vergeleken met Verdun en de Somme in Frankrijk. Koning Albert wilde zijn leger niet opofferen aan zinloze offensieven en ook de Duitsers hielden zich in dat gebied redelijk gedeisd.
De Britten echter kregen de volle laag. Volgens schattingen van historici zijn er ongeveer 250.000 Britse soldaten bij Ieper gesneuveld of vermist geraakt. De Britse militairen moesten via de oostelijke poort van de vestingstad het slagveld op. Deze Menenpoort is na de Eerste Wereldoorlog een belangrijk monument geworden.
Van de middeleeuwen tot in de 17de eeuw heette de Menenpoort nog de Hangwaertpoort. Dat kwam omdat die poort uitkwam op het galgenveld. De oude naam van de poort was toepasselijker voor de twintigste eeuw. Met de offensieve tactieken, waarbij militairen recht op vijandelijke machinegeweren af moesten lopen, werd het slagveld een soort galgenveld.
Joris Smeets
Bronnen:
Chrisje Brants ‘Een plasje bloed in het zand. Literaire getuigenissen van de Grote Oorlog’ (Uitgeverij Balans, 1995)
Dominiek Dendooven ‘Menenpoort & Last Post. Ieper als heilige grond’ (De Klaproos, 2001)