Main Content

'In Flanders Fields' Museum en het 'Historial' WO I: Musea in Ieper en Peronne

  • 14 november 2002
Museum Historial in Peronne
Zoom
Museum Historial in Peronne

Ruim 20.000 Nederlanders bezochten in 2001 het moderne interactieve 'In Flanders Fields' Museum in Ieper. En elk jaar worden het er meer. Ook over het meer traditionele Franse 'Historial de la Grande Guerre' in Peronne. En een gesprek met Dominiek Dendooven.

'In Flanders Fields' Museum en het 'Historial'

Het Westelijke Front in de Eerste Wereldoorlog liep voor een groot deel door arme streken. Vier jaar oorlog maakte deze regio's nog minder aantrekkelijk. Hele dorpen verdwenen van de aardbodem, de modderige met loopgraven doorkruiste grond lag vol met doden en explosieven. De laatste tien jaar is de streek echter opgebloeid, ironisch genoeg door diezelfde Eerste Wereldoorlog.

Oorlogstoerisme in die streken is er altijd geweest, in het begin vooral van betrokkenen: veteranen, en familie en vrienden van gesneuvelden.. In een tijd dat er nauwelijks meer getuigen van de Grote Oorlog leven, is er een groeiende belangstelling voor het onderwerp. Nieuwe musea worden gebouwd,bestaande musea worden gemoderniseerd. Het 'Historial' in Péronne en het Belgische IFF Museum zijn daar uitstekende voorbeelden van.
Het IFF Museum en het Historial zijn totaal verschillend van opzet: de eerste maakt gebruik van moderne middelen om het verhaal van de oorlog te vertellen, het tweede is meer traditioneel. Toch zijn er ook een paar grote overeenkomsten. De opstellingen van beide musea zijn vrij recent. Daarnaast zijn ze beiden aan de hele oorlog gewijd, en niet alleen aan hun eigen regio. /Geschiedenis nam een kijkje in beide musea.
In de Westhoek van Vlaanderen, vlakbij de Franse grens, ligt het vestingstadje Ieper. Het is echt een Vlaamse uithoek van Belgie, ingesloten door Frankrijk en een Waals taalgebied. Dat laatste is duidelijk te merken in de trein van Brussel naar Ieper, waar op het laatste deel van de route voornamelijk Frans wordt gesproken.

Op het sfeervolle grote plein, in de heropgebouwde (vroeg)gotische Lakenhallen, bevindt zich het IFF Museum. In 1918 lag het gebouw helemaal in puin, maar het is na de oorlog weer herbouwd en als museum in gebruik genomen. Dominiek Dendooven, educatief medewerker van het museum, vertelt dat er opvallend veel Nederlanders op het museum afkomen. Na de Belgen (50%) en de Britten (30%) is 10 % van de bezoekers uit ons land afkomstig.
Dendooven heeft ook geen sluitende verklaring voor het hoge aantal Hollandse bezoekers. Dat de Belgen en Britten met ruime voorsprong het veld aanvoeren is weinig verwonderlijk. Het museum is Belgisch en Ieper is voor de Britten een bedevaartsoord. De Fransen en Duitsers volgen pas op eerbiedige afstand (rond de 3%).

Vooral het kleine percentage Fransen is vreemd. Ieper is dichtbij en de Fransen hebben het meeste geleden aan het Westelijke Front. Misschien gaan ze liever naar hun eigen musea? Ook de Duitsers hebben in 1914-1918 aan de Vlaamse fronten gelegen. De nederlaag van hun leger maakt het waarschijnlijk een minder populaire bestemming.

Overigens ligt het interessantste onontdekte materiaal over de Grote Oorlog in Duitsland, meldt Dendooven. In Duitsland was de Eerste Wereldoorlog lange tijd een taboe. De Duitse geschiedschrijving was naar binnen gericht. Tegenwoordig gaan de Duitsers serieus op zoek naar genegeerde materiaal uit deze periode.

De historicus Dendooven is niet, zoals op het eerste gezicht voor de hand ligt, op de Eerste Wereldoorlog afgestudeerd. Hij was gespecialiseerd in kunstonderwijs in de 18de eeuw. Pas na zijn studie liep hij toevallig tegen de Eerste Wereldoorlog aan. Inmiddels heeft hij een boek geschreven over de Menenpoort, het monument dat door de Britten na de oorlog werd gebouwd.

Het succes van her IFF Museum bij Nederlanders is waarschijnlijk een mix van taal en geografie. Het ligt redelijk dichtbij in een Nederlandstalig gebied. Bovendien is het museum interessant door de moderne middelen waarmee het de oorlogsbeleving en een boodschap op de bezoeker probeert over te brengen.

De boodschap is volgens de folder van het museum die van "de gewone mannen en vrouwen, burgers en soldaten, jong en oud, vriend en vijand. Zonder onderscheid van rang of stand. Hun boodschap is voor iedereen begrijpelijk: in een oorlog, waar of wanneer dan ook, verliest iedereen."

Volgens Dendooven is die boodschap indirect. Een gang door het museum moet een verlangen naar vrede oproepen. Dat wordt gedaan door eerste het vooroorlogse Ieper te tonen, daarna de gruwelen van de oorlog en tenslotte de vrede. Dat die boodschap voor iedereen is bedoeld, blijkt ook uit de viertaligheid van het museum: Nederlands, Engels, Frans en Duits.

De kracht van het museum ligt in het verhaal van gewone mensen. Aan het begin van de tentoonstelling krijgt de bezoeker een kaartje met een naam met een streepjescode, bijvoorbeeld Otto Meyer. Daarmee valt bij diverse beeldschermen na te gaan, wat die persoon is overkomen in de oorlog. Zo kan de bezoeker de belevenissen volgen van een Duitse soldaat als Otto Meyer, een Vlaming uit de streek of van iemand uit het Britse leger.

Bij de inrichting van het museum is volgens Dendooven uitgegaan van een scenario. Daarin moest bijvoorbeeld de eerste gasaanval, die bij Ieper plaatsvond, verbeeld worden. Maar hoe laat je zien dat Britse en Franse soldaten op een gruwelijke manier door Duits gifgas stikken?
De creatieve oplossing van dit probleem is typerend voor het museum. In manshoge doorzichtige cilinders hangen gasmaskers. Het gas wordt verbeeld door verschillenden kleuren 'gas', die opstijgen. Om het lijden van de soldaten te verwoorden is gekozen voor drie gedichten. Die zijn niet alleen op een wand te lezen, maar ook te horen.

Een ander probleem vormde het verbeelden van soldaten in de loopgraven. Daarvan is nauwelijks filmamteriaal van tijdens de oorlog. Dat is opgelost door in een donkere ruimte op de wanden nagespeelde scenes uit de loopgraven te projecteren. De toevallige aanwezigheid van een groep bezoekers in rolstoelen, gaf het een extra luguber tintje.
Tamelijk verrassend is, dat er onverwacht oorlogsgeluiden door de zaal heen klinken. Zo moet de bezoeker niet verbaasd staan te kijken, dat er opeens het geluid klinkt van een vliegtuig of een granaat die aan komt vliegen en met een flinke knal ontploft. Soms schrikken mensen zelfs van dit soort onverwachte geluidsexplosies.

Een aardig contrast met het IFF Museum vormt het Franse 'Historial', dat in 1992 in Peronne werd geopend. Het ligt in het gebied waar de slag bij de Somme woedde, in de buurt van Amiens. De ingang van het gebouw is een ouderwetse kasteelpoort, de achterkant is een modern gebouw.

De opzet van dit museum, dat een prachtige collectie heeft, is vrij traditioneel. De bezoeker wordt door vier ruimtes geleid en kan in een zaaltje een film over de slag bij de Somme zien. Het begint in zaal 1 met de vooroorlogse periode, gaat dan in zaal 2 in op de periode 1914-1916, vervolgt in zaal 3 met 1916-1918 en eindigt in zaal 4 met de naoorlogse periode.

Hoogtepunten uit de collectie zijn prachtige propagandaposters, waarvan sommige nog steeds gebruikt zouden kunnen worden. Ook door de oorlog geinspireerd kinderspeelgoed, zoals een uit blokken opgebouwd oorlogsschip is een prachtige vondst. Daarnaast zijn er sombere tekeningen met taferelen uit de loopgraven te zien.Het museum is ruim van opzet en zeer licht, zeker vergeleken met het IFF Museum, dat vrij donker is.

Dat niet iedereen even enthousiast is over het oorlogstoerisme, was in het 'Historial' mooi te zien. Een groepje zestigers bestaande uit drie echtparen beleefde het museum totaal verschillend. De mannen liepen enthousiast het uitgestalde materiaal af, terwijl de vrouwen met de blik op oneindig op een bankje zaten.

Een eigenaardig detail over het museum is dat veteranen uit de Eerste Wereldoorlog het museum gratis mogen bezoeken. Waarschijnlijk zullen daar nog maar weinig mensen gebruik van (kunnen) maken.

Joris Smeets