Main Content

OVT over wat Wilhelmina wist over de jodenvervolging in 1944 Wilhelmina, Fasseur en de Joden

  • 29 november 2002
Dhr. Cees Fasseur
Zoom
Dhr. Cees Fasseur

Op 24 november 2002 bestreed Gerard Leenders in OVT de visie van Wilhelmina-biograaf Fasseur, dat Wilhelmina in de zomer van 1944 nog niets wist van de jodenvervolging. Hieronder de tekst.

OVT over wat Wilhelmina wist over de jodenvervolging in 1944

Vorig jaar tijdens zijn dies-oratie ter gelegenheid van de 426e dies natalis van de universiteit van Leiden, sprak historicus Cees Fasseur over de houding van Wilhelmina tegenover de joden en de jodenvervolging.

Die oratie werkte hij verder uit in zijn onlangs verschenen boek Wilhelmina. Sterker door strijd. Het een na laatste hoofdstuk draagt de titel `Wilhelmina en de jodenvervolging’, waarin Fasseur onder andere de vraag oppert: wist Wilhelmina van de stelselmatige uitroeiing van de joden of niet?

In Vrij Nederland van 16 november wordt er op twee manieren aandacht besteed aan dat hoofdstuk. Zowel in het interview van Elisabeth Lockhorn met Fasseur als in de boekbespreking van Harry van Wijnen wordt uitgebreid aandacht besteed aan Fasseurs argumenten ter onderbouwing van zijn uiteindelijke conclusie: neen, de koningin wist niets van de uitroeiing, en dat was mede veroorzaakt door de summiere berichtgeving over het lot der joden.

Bovendien, zo zegt Fasseur, de kennis die wij nu hebben was toen niet voorhanden. En dat weet hij omdat hij uitgaat van het perspectief van de oorlogsjaren. Daardoor hadden niet alleen de Amerikaanse en Engelse regeringsleiders geen besef wat er zich in Polen afspeelde, ook de Nederlandse regering in ballingschap en onze vorstin hadden deze kennis niet.

In het interview verwoordt Fasseur het aldus: “Ik kan mij niet voorstellen dat Wilhelmina in de vroege oorlogsjaren méér heeft geweten dan Churchill, die niets wist tot de zomer van 1944. Ik ga hierbij af op het gezag van Martin Gilbert, de biograaf van Churchill. (…) Er was een vaag besef dat er gruwelijke dingen gebeurden in Oost-Europa. Men wist dat de Duitsers in hun ogen ongewenste elementen liquideerden, wist op een gegeven moment zelfs dat daarbij soms gebruik werd gemaakt van primitieve installaties met koolmonoxide. Maar berichten over stelselmatige, sadistische liquidatie hebben Engeland pas veel later bereikt”.

Recensent Harry van Wijnen kan de gedachtegang van Fasseur wel volgen en vindt zijn argumenten steekhoudend. Maar zijn de argumenten van Fasseur wel zo steekhoudend? Twee voorbeelden die dat weerspreken.

1.
Afgelopen week kwam ik in het Nationaal Archief een klein artikeltje tegen in de bewaarde plakboeken van het Netherlands Information Bureau (NIB) in Montreal. De plakboeken, zorgvuldig gedateerd, behoren bij het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Londen, dat voorjaar 2003 officieel aan het Nationaal Archief wordt overgedragen. Het uitgeknipte artikel was afkomstig uit de Canadian Jewish Weekly van 19 augustus 1943 en luidt alsvolgt:

Will Avenge Brutal Murder of Jews Dutch Government in Exile Promises
New York, Aug.11. – (…) the Netherlands News, organ of the Dutch government-in-exile states (…) 'The wholesale murder of the Jewish Netherlanders is to us a heinous crime - worse in its horrifying barbarism than the destruction of Warsaw, or the razing of Lidice,' it declares. 'While those towns were annihilated in wild fury and with paranoiac vandalism, the destruction of Holland's Jews has been a coolly calculated business, a cat-and-mouse game, atrociously drawn out over months and years’.

'One hundred and eighty thousand Netherlands citizens - loyal and respected burghers, thrifty and useful to their motherland - have been murdered in a large number of ways, resembling each other only in that they are unspeakable. It is of no interest to us whether among these victims of Hitlerian madness there were Jews, half-Jews or adherents to any other creed. All we know is that the wanton slaughter of Rotterdam has now been repeated many times over. All we will remember is that such abominable mass murder must be avenged.'

Blijkens dit artikel is er in 1943 een vlammend protest geweest van een officieel orgaan van de Nederlandse regering in ballingschap en was zij dus op de hoogte van de systematische uitroeiing van Nederlandse joden. En aangezien Wilhelmina alles over Nederland las volgens L. de Jong, moet ook zij , als dit artikel betrouwbaar was, op de hoogte zijn geweest.

De zoektocht naar de bron bracht mij bij het NIOD en daar vond ik opheldering: Netherland News was vanaf 1941 een uitgave van het Netherlands Information Bureau, New York, in 1940 opgericht om de belangen van de Nederlandse zaak in de Verenigde Staten te behartigen. Bij het NIB werkten ca. 100 mensen en het bureau maakte onderdeel uit van de Rijksvoorlichtingsdienst in Londen.

Na enig speurwerk kwam ik terecht bij Netherland News nummer 8, volume 6, 11 juni-25 juni 1943. Het hoofdredactioneel commentaar, waarschijnlijk geschreven Jan van Stappen, diende als bron voor de het kleine artikeltje in het Canadese joodse weekblad. Er valt echter nog meer te lezen dan de in het artikel aangehaalde citaten: het Joodse probleem, dat de Duitsers zeggen te hebben opgelost, zo schrijft Netherlands News, is een puur artificieel probleem “created to serve the Machiavellian purposes of Adolf Hitler. For no reason within the grasp of a normal mind one hundred eihgty thousand men, women and children were singled out from among their compatriots to be more deeply humiliated, more thoroughly robbed than anyone else and finally, to be slaughtered for the sakes ofv the New Order’s progress and for the ‘ purity of the aryan race’” (…)

En even verder op valt te lezen “Strong healthy men and promising youngsters have been battered and broken, without very chance to defend themselves. Women and children have been abused by the thousand, then to be carted off to the east, for wholesale slaughter. And even the infirm and aged who asked no more of life than a time of rest and quiet death among their nearest, were left to rot away in what we, out of mere thoughtlesness, stil know by the euphemism ‘concentration camps’

Een officieel orgaan van de Nederlandse regering in ballingschap spreekt zich uit tegen de gecalculeerde, stelselmatige uitroeiing van de Nederlandse joden.

“Maar berichten over stelselmatige, sadistische liquidatie hebben Engeland pas veel later bereikt”, zo zegt en schrijft Fasseur. Natuurlijk, men was waarschijnlijk niet op de hoogte van Hitlers uitspraken op 12 december 1941, beschreven door J. Goebels in zijn dagboek: “Bezüglich der Judenfrage ist der Führer entschlossen, reinen Tisch zu machen. Er hat den Juden prophezeit, daß, wenn sie noch einmal einen Weltkrieg herbeiführen würden, sie dabei ihre Vernichtung erleben würden. Das ist keine Phrase gewesen. Der Weltkrieg ist da, die Vernichtung des Judentums muß die notwendige Folge sein. (zie: Christian Gerlach, Die Wannsee-Konferenz, das Schicksal der deutschen Juden und Hitlers politische Grundsatzentscheidung, alle Juden Europas zu ermorden (1997)

Men was ook niet op de hoogte van een handgeschreven aantekening van Himmler bij een toespraak in Hitlers hoofdkwartier, gedateerd op 18 december 1941, “Judenfrage / als Partisanen auszurotten.”

En natuurlijk, men was niet op de hoogte van de mededelingen op de Wannsee-conferentie, waar door het lagere echalon van het Nazi-regime de systematiek aan de Endlösung verder gestalte werd gegeven (een systematiek trouwens, waarvan men al sinds de aanval op de Sovjet-Unie kan spreken)

Maar men was wél op de hoogte van andere gebeurtenissen, die uitdrukking gaven aan het voornemen van Hitler c.s. om de Europese joden definitief uit te roeien. Men wist bijvoorbeeld van de handelswijze van de Einsatzgruppen in oostelijk Polen en Rusland (tussen eind juni en eind november werden daar honderdduizenden joden systematisch afgeslacht).

Die wandaden waren voor bijvoorbeeld voor koningin Wilhelmina reden om in de uitzending van Radio Oranje van 28 november 1941 te zeggen: “Sedert ik op 1 september tot u sprak is in alle landen de beschaafde mensheid met afgrijzen vervuld over de gruwelijke slachtingen door het nazidom in de bezette gebieden onder onschuldige burgers aangericht. Over deze ongehoorde gruwelen is in alle werelddelen een storm van verontwaardiging losgebroken (…)” .

In die zelfde toespraak trouwens spreekt zij voor het eerst over de nederlandse joden en de maatregelen van de Duitse bezetter in Nederland: “hoe zij geheel willekeurig de uwen medevoeren in gevangenschap en concentratiekampen (…) hoe zij op afschuwelijke wijze de Joden vervolgen (…)” .

Dat doet zij op 17 oktober 1942 voor de tweede keer, als de deportaties van Nederlandse joden naar het oosten massaal aan de gang zijn. In navolging trouwens van Churchill –– die zich in die zelfde maand publiekelijk uitspreekt over de systematische wreedheden tegen de joden. Jazeker, in 1942, dus toen al was Churchill op de hoogte van een systematische uitroeiing en niet pas in 1944, zoals Fasseur beweerd

In oktober 1942 dus, de maand waarop Anne Frank in haar dagboek noteert dat de meeste weggevoerde joden vermoord zullen worden door vergassing, spreekt Wilhelmina over: De onmenselijke behandeling, ja het stelselmatig uitroeien van deze landgenoten, die eeuwen met ons samenwoonden in ons gezegend vaderland

Fasseur beweert in zijn boek dat Wilhelmina met het begrip uitroeien niet verdelgen of vernietigen bedoelt, maar het wegvoeren uit de Nederlandse samenleving. Een psychologische verklaring zonder enige onderbouwing.

Dat de Nederlandse regering in ballingschap op de hoogte was van de wandaden van de Nazi’s tegenover de joden blijkt verder uit de door Nederland meeondertekende verklaring van 17 december 1942, waarin gesproken wordt over systematische vernietiging van de joden “the German authorities (…) are now carrying into effect Hitler's oft repeated intention to exterminate the Jewish people in Europe”. Een verklaring op diezelfde dag door Radio Oranje wordt uitgezonden. (Op 8 november 1942 houdt Hitler trouwens opnieuw een redevoering waarin hij de uitroeiing van de joden benoemt. Zijn woorden worden in Nederlandse kranten, die ook in Engeland gelezen worden, weergegeven)

Slechts een paar bronnen die aangeven dat men in Londen wel degelijk kennis had over de systematische uitroeiing van de joden. De rest kan men lezen in de oratie van historicus Lou de Jong uit 1967 ‘Een sterfgeval te Auswitz’. In zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog zijn deze feiten in nog grotere getalen aanwezig en geeft De Jong weer wat er allemaal in Londen bekend was. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, zo schrijft de rijksgeschiedschrijver op p. 316 van deel 7-1, ‘wist’ ik persoonlijk in mei-juni ’43 wat de Endlösung inhield.

2.
“Wilhelmina en haar minsters dachten in de zomer van 1944 nog steeds dat vele landgenoten van joodse origine in Polen in leven waren.” , zo schrijft Fasseur. Hij baseert deze uitspraak ondermeer op een brief van de regeringscommisaris voor de repatriëring, dhr. G.F. Ferwerda., die op 8 mei 1944 volgens Fasseur aan de minister van Sociale Zaken zou hebben geschreven dat er “er nog wel 60.000 van de 110.000 weggevoerden in leven” zouden zijn. Gebruik maken van bronnen is een kunst. Letterlijk staat in de geciteerde brief te lezen: “Het totaal aantal te repatrieeren personen kan volgens de meest recente gegevens geschat worden op (…) Polen: 60.000 dit is het aantal overlevenden, dat ik bij mijn berekening heb aangenomen). Overlevenden, inclusief de in Polen aanwezige niet-joden.

Het getal 60.000 heeft een voorgeschiedenis.

Op 13 december 1943 schrijft Henri Dentz, medewerker van Ferwerda’s repatriëringsorganisatie een rapport met als titel: Repatriering uit Polen. Dentz was zo vertelde Ferwerda voor de Enquete Comissie Regeringsbeleid 1940-1945, speciaal aangesteld voor de joodse gedeporteerden (er wordt dus afgeweken van de beleidslijn van de regering (en Wilhelmina, volgens Fasseur) om geen onderscheid te maken tussen joodse en niet-joodse Nederlanders).

In dat rapport onderscheidt Dentz vier groepen repatrianten: arbeiders (35.000), kolonisten (10.000), krijgsgevangenen (2000) en joden. Over de joden in Polen schrijft Dentz: “Hetgeen ik heden van Dr. Schwarzbart (Polish National Council) vernam, bevestigt hetgeen ik reeds van andere zijden gehoord had. Voor het lot onzer landgenooten moet men het ergste vrezen. De vijand schijnt zijn voornemen, de Joden systematisch uit te roeien, grootendeels bereikt te hebben. Oorspronkelijk bevonden zich in Polen omstreeks 3.300.000 Joden, waarbij nog 700.000 uit Duitsland en bezette gebieden gevoegd werden, 400.000 wisten naar de Sovjet-Unie te ontkomen. Het getal der resteerende 3.600.000 is volgens Dr. Schwarzbart’s berichten in gevolge ontberingen in massa-executies tot omstreeks 300.000 geslonken. Van andere zijde hoorde ik een schatting van 500.000. Naar verhouding moet men vrezen dat van de 120 à 140.000 uit Nederland gedeporteerde Joden bij lange na geen 75.000 meer in leven zijn. De bevolking van het meerendeel der steden en ghetto’s, waar zij ondergebracht werden schijnt reeds geliquideerd te zijn. Hun bestaansomstandigheden zijn erbarmelijk, zoowel wat behuizing als voedselvoorziening betreft (…)

In een schrijven van 6 januari 1944 aan de minister gaat Ferwerda er desondanks vanuit dat er ca. 140.000 gedeporteerde Nederlanders voor repatriëring in aanmerking kwamen: “Dit getal bestaat voor ongeveer de helft uit joden, uit 2.500 krijgsgevangenen, voorts uit fabrieksarbeiders en boeren”

Vanaf januari worden de schattingen in Londen even talrijk als onduidelijk. Schipper, eveneens van het regeringscommissariaat noemde in dezelfde maand het getal van 150.000 gedeporteerden.

Op het ministerie van Binnenlandse Zaken circuleerde tezelfdertijd een schrijven, waarin gesproken werd van een groot aantal vrijwilligers in Oost-Europa, maar bovendien nog ca. 120.000 tot 140.000 Nederlandse joden in het oostelijk deel van Polen.

Eind januari meldde Van Kleffens aan de gezant te Stockholm, dat er ongeveer 120.000 Nederlanders gedeporteerd waren naar Polen, waarvan 100.000 joden: hij tekende hier wel bij aan dat het ongewis was hoeveel joden inmiddels waren overleden.

In een concept-notitie van Van den Tempel lezen we een antwoord op de ongewisheid van Van Kleffens; het oorspronkelijke aantal gedeporteerde joden was in verband met het grote aantal sterfgevallen en executies afgenomen tot wellicht veertigduizend, zo meldt de minister van Sociale Zaken.

Ferwerda trrekt zich hier niets van aan. In de maand februari maakt de regeringscommissaris tijdens een vergadering bekend dat uit Polen 80.000 personen gerepatrieerd moesten worden. Een paar dagen later volgde een nadere precisering van dit getal. Bij een voorlopige begrotingsopzet voor de repatriëring uit Polen schreef Ferwerda : "Ten aanzien van de aantallen uit dit land te repatriëren landgenoten is aangenomen dat het totaal aantal Joodsche Nederlanders dat naar Polen is gedeporteerd op ten hoogste 100.000 is te stellen. Het is te vreezen, dat hiervan waarschijnlijk een gedeelte niet meer in leven zal blijken te zijn, zoodat wij bij de opstelling der repatriëringsbehoeften voor Polen ons gebaseerd hebben op een getal van 60.000 Joodsche Nederlanders, waarbij een aantal van ten hoogste 20.000 niet-Joodsche Nederlanders moet worden gevoegd. Totaal 80.000 Nederlanders.”

Een maand later, eind maart 1944, werd er vanuit het regeringscommissariaat een nieuw cijfer genoemd. Ditmaal wederom afkomstig van Henri Dentz, die eind 1943 al geen rooskleurig beeld schetste wat betreft de overlevenden in Polen. Dentz gaat uit van 120.000 gedeporteerde joden uit Nederland, waarvan, zo schrijft hij “volgens de minst pessimistische berichten (…) momenteel nog de helft in leven zouden zijn, een veronderstelling die slechts op een gissing berust”. Iets verder op schrijft hij “gezien het Duitse streven naar algeheele exterminatie (…) is de vrees gerechtvaardigd, dat, voor de oorlof ten einde is, onder onmze naar Polen gedeporteerde landgenoten, nog vele slachtoffers zullen vallen”. Waaraan hij toevoegt “...dat slechts weinigen het leven er zullen afbrengen.”

Ferwerda noemt in zijn rapport, waar Fasseur zich op baseert, het getal van 60.000 te repatriëren Nederlanders. Er van uitgaande dat Ferwerda de 20.000 niet-joodse Nederlanders, (genoemd in zijn notitie van februari) in zijn berekening handhaaft, zijn er op 8 mei 1944 nog maar 40.000 uit Nederland gedeporteerde joden in leven. Hij heeft de “progressieve toeneming van het sterftecijfer” waar Dentz in zijn laatste rapport over rept een maand later al toegepast.

Hoezo dachten Wilhelmina en haar ministers in de zomer van 1944 dat vele joodse landgenoten nog in leven waren?

Het rapport van Dentz is om een aantal redenen opmerkelijk. Het rapport behandelt alleen de deportatie van joodse Nederlanders naar Polen, in afwijking van het regeringsbeleid. Daarnaast geeft Dentz in zijn twaalf bladzijden (+ bijlagen) tellend rapport een overzicht van de wandaden die de Duitsers al vanaf 1941 in Polen hebben bedreven. Gegevens die hij naar eigen zeggen voor het merendeel van Bureau Inlichtingen heeft verkregen. - dus van Van ’t Sant, die in nauwe relatie stond met Wilhelmina. Rapporten en nota’s waarin uitgebreid wordt ingegaan op massale executies door doodknuppelen en mitrailleren, en op de systematische uitroeiing door vergassing, hete stoom, elektrocutie en injecties van luchtbellen in bloedvaten.

Hij citeert o.a. uit een rapport getiteld L’extermination des Juifs Polonais, (geschreven door een joodse vluchteling uit Polen, zeer betrouwbaar volgens Bureau Inlichtingen). Letterlijk schrijft Dentz: “Zijn berichten kunnen evenwel, wegens hun afschuwwekkend karakter, moeilijk in extenso worden geciteerd” . Des te schrijnender is het dat een aantal van die gruwelijkheden in Dentz’ rapport bewust zijn geschrapt door Ferwerda omdat hij de feiten `stotend’ en overdreven vond.

Uiteindelijk is het rapport in gecensureerde vorm, maar met voldoende feiten om te kunnen spreken van stelselmatige uitroeiing, toegestuurd aan alle regeringsinstanties.

Hoezo hebben berichten over stelselmatige, sadistische liquidatie Engeland pas veel later bereikt? En hoezo had de koningin hier van geen weet voor 7 juli 1944?

Gerard Leenders
Historicus en redactielid OVT, VPRO-radio