De herkomst van de tien komende lidstaten Nieuwe EU-landen zijn nieuw

- Zoom
- EU-vlag
Wie een kaart van Europa van 1900 bekijkt, zal tevergeefs zoeken naar de meeste nieuwe EU-landen. Hoe ontstonden deze nieuwe naties in de 20ste eeuw?
De herkomst van de tien komende lidstaten
Acht van de tien nieuwe EU-landen hadden de pech in de negentiende eeuw tussen de invloedsferen van Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Rusland en Turkije te liggen. Polen, Slovenië, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Estland, Letland en Litouwen waren niet zelfstandig. Pas in de twintigste eeuw kregen ze de kans om zich te ontwikkelen tot staten.
In 1864 was het nog lang niet zover. Een Franse schrijver merkte in dat jaar over de Balkan op, dat hij ‘mensen heel vaak horen vragen bij wie de christelijke volken van Turkije horen – Rusland, Oostenrijk of Frankrijk? En als sommige dromers dan antwoorden: “Die volken behoren bij zichzelf” – dan vermaakte men zich kostelijk en reageert meewarig op zoveel utopisme’. (Mazower, 21-22)
Turkije was rond 1900 op de terugweg in de regio, maar dat betekende niet dat alle volken in de regio de kans kregen om een eigen staat te beginnen. De Serven en Albaniërs slaagden daar in, maar het grootste deel van het gebied werd opgeslokt door Oostenrijk-Hongarije en Rusland.
De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) veranderde die situatie totaal, ook voor de Polen en de Baltische Staten. Oostenrijk-Hongarije en Turkije hoorden bij de verliezers van de oorlog. Sovjetrusland was na de bolsjewistische revolutie van 1917 en de wapenstilstand met Duitsland niet bijzonder populair bij de overwinnaars.
Frankrijk en Engeland besloten om een ‘cordon sanitair’ door Oost-Europa te laten lopen. Revolutionair Rusland moest worden afgeschermd van de rest van Europa. Duitsland, dat redelijk intact werd gelaten, moest worden ingekapseld. De Fransen en Engelsen sloten verdragen met de nieuwe Oost-Europese staten.
Polen, dat in de 18de eeuw was opgedeeld door Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland, werd na ruim honderd jaar weer een staat. Ook Letland, Estland en Litouwen kregen een eigen land, hoewel alleen Litouwen ooit eerder een natie was geweest. Op de Balkan ontstonden Tsjecho-Slowakije, Hongarije en Joegoslavië.
Dat laatste land bestond uit een samenvoeging van Kroaten, Slovenen en Serven. De Kroaten en Slovenen waren bang voor een Servische dominantie, maar de Italiaanse ambities oostwaarts brachten hen bijeen.
De versplintering van Oost-Europa stond in sterk contrast met de ontwikkelingen in Italië en Duitsland in de 19de eeuw. Daar had het streven naar een natiestaat juist voor de samenvoeging van vele zelfstandige gebieden gezorgd.
De nieuwe Oost-Europese landen werden eind jaren dertig geconfronteerd met twee zich herstellende grootmachten Duitsland en de Sovjet-Unie. Als buffer bleken de nieuwe landen weinig waard, ook omdat ze niet consequent gesteund werden door Frankrijk en Engeland.
Tsjecho-Slowakije werd door de Fransen en Engelsen opgegeven voor ‘peace in our time’. Vooral de Britten probeerden de Duitsers van oorlog af te houden door ze hun zin te geven. In 1938 mocht Hitler een deel van Tsjecho-Slowakije innemen, waar de Duitse minderheden leefden. In 1939 liep hij de rest van het land binnen, zonder op enig verzet te stuiten.
Eind 1939 sloten de aartsvijanden Stalin en Hitler het Sovjet-Nazi Pact. Het noordelijke deel van het ‘cordon sanitair’ werd daarin opgedeeld. De Russen kregen de Baltische landen en het oosten van Polen, de Duitsers kregen het westen van Polen. In september vielen de beide landen inderdaad Polen binnen. Dit ging de Engelsen en Fransen te ver en ze verklaarden de Duitsers de oorlog.
In 1941 viel Duitsland de Sovjet-Unie binnen. Polen, Letland, Litouwen en Estland werden nu voor een paar jaar Duits. Stalin sloeg echter snel terug en veroverde de gebieden in 1944-45. De Baltische staten werden ingelijfd bij de Sovjet-Unie en Polen werd een satellietstaat.
De Duitsers hadden tijdens de Tweede Wereldoorlog ook grote delen van de Balkan veroverd. Daarbij werden ze geholpen door de Hongarije, dat een bondgenoot van Duitsland was. Om de volken in de regio tegen elkaar op te stoken hielpen de Duitsers met het oprichten van een Kroatische fascistische staat..
Ook de Balkan werd aan het einde van de Tweede Wereldoorlog veroverd door de Russen, op Joegoslavië na, dat zichzelf onder leiding van Tito bevrijdde. Griekenland bleef volgens een afspraak tussen de Geallieerden en Stalin onder Britse invloedssfeer.
Tijdens de Koude Oorlog bleven de grenzen in Oost-Europa stabiel. Pas na het ineenzakken van de Sovjet-Unie rond 1990 kregen de volken van Oost-Europa een nieuwe kans op zelfstandigheid. Zo bevrijdden Estland, Letland en Litouwen zich van het Russische juk. De Polen en Hongaren zagen het Rode Leger vertrekken.
De Slovenen wisten zich tijden de Joegoslavische burgeroorlog snel af te scheiden en werden voor het eerst een zelfstandig land. De Tsjechen en Slowaken gingen op vreedzame wijze uit elkaar, waardoor Tsjechië en Slowakije op de kaart kwamen.
Met de toetreding van de 10 landen zal het oude ‘cordon sanitair’ in de economische invloedsfeer van de Europese Unie komen te liggen.
Joris Smeets
Bronnen:
Mark Mazower ‘De Balkan. Een geschiedenis’ (De Bezige Bij, Amsterdam 2002)
Ivan T. Berend ‘Decades of Crisis. Central and Eastern Europe before World War II’ (Universtity of California Press, Berkeley [etc.] 1998)