Main Content

Wat komt het publiek via de media te weten? Karskens over oorlogsjournalistiek

  • 10 april 2003
Optocht in Bagdad
Zoom
Optocht in Bagdad

Arnold Karskens was bij de Golfoorlog in 1991 de enige Nederlandse journalist in Bagdad. Hij heeft een gepeperde mening over oorlogscorrespondenten.

Wat komt het publiek via de media te weten?

Tijdens de vorige Golfoorlog was Peter Arnett van CNN na drie oorlogsdagen de enige Westerse journalist in Bagdad. Vanuit Hotel Rasheed in Bagdad gaf hij de wereld exclusief commentaar op de situatie in de Irakese hoofdstad, claimde hij. Want alle andere Europese en Amerikaanse journalisten, met daarbij Arnold Karskens, waren naar huis gestuurd.

Ook op de eerste oorlogsdag had CNN veruit het beste gescoord. Terwijl de rest van de oorlogsjournalisten de kelder van het hotel in werden gejaagd, mochten Arnett en Bernard Shaw de aanval op Bagdad filmen en van commentaar voorzien. ‘The skies over Baghdad are illuminated’, zijn de onsterfelijke woorden die Shaw bij de eerste oorlogsbeelden uitsprak.

Hoe kwam CNN aan deze bevoorrechte positie? Er waren duidelijk afspraken gemaakt tussen de Amerikaanse zender en de autoriteiten van Irak. Zo bleek bijvoorbeeld na de oorlog dat CNN in tegenstelling tot de concurrentie gebruik mochten maken van een Irakees militair communicatienet.

Dat vermeldde Arnett niet in zijn autobiografie ‘Live from the battlefield’. Het werd bekend gemaakt door de BBC, die verontwaardigd was dat die gunst aan hun journalisten geweigerd werd. Maar er is meer dat niet helemaal klopte aan het verhaal van Arnett, meldt Karskens in zijn boek ‘Berichten van het front’.

Arnett had gelogen over zijn exclusieve positie in Bagdad. Want niet alle Westerse journalisten waren naar huis gestuurd. De Spaanse journalist Alfonso Rojo van de krant ‘El Mundo’ zat ook nog in het hotel na de derde oorlogsdag. Hij heeft geen lijn met de buitenwereld en Arnett weigert zijn satelliettelefoon af te staan aan zijn concurrent.

Rojo krijgt een bloedhekel aan Arnett: ‘Ik hoop dat wij deze oorlog allemaal overleven, maar mocht het hotel op een dag door een meute moslims op jacht naar “goddelozen” worden bestormd, dan hoop ik dat ze die dwerg van CNN als eerste opknopen’.

Voor Karskens was het een stuk lastiger om contact met het thuisfront te krijgen. Wanneer hij er dan eindelijk in slaagde om met veel moeite de NOS in Hilversum te bereiken, is hij er nog lang niet. De ene keer is het een technicus die niet zo doortastend handelt en hem niet goed doorverbind. De andere keer zitten ze niet op hem te wachten. ‘Kunnen we je terugbellen?’, werd hem tot zijn grote woede gevraagd.

Karskens krijgt na de oorlog ruzie met Rojo. De Spanjaard heeft het boek ‘Hotel Bagdad’ geschreven en is voor promotie in Nederland. Tegen een krant zegt hij dat hij van de journalisten in Bagdad vooral de Spaanse en Nederlandse laf en zwak vond. Karskens leest het artikel, meent dat dit alleen op hem kan slaan en gaat verhaal halen bij Rojo.

Woedend stormt Karskens naar een restaurant in Amsterdam waar Rojo voor zijn boekpromotie zal zijn. Hij neemt zich voor hem in elkaar te slaan. Uiteindelijk loopt het met een sisser af. Rojo verzekert Karskens dat zijn opmerking niet hem sloeg, dat hij verkeerd is geciteerd. Hij had het over andere Nederlandse journalisten, die eerder uit Bagdad vertrokken.

De Golfoorlog van 1991 was een enorm succes voor CNN. Ondanks de aanwezigheid van die ene Spaanse concurrent had de zender een absoluut monopolie, omdat hun man in Bagdad als enige kon communiceren met het thuisfront.

Dan is er nog de vraag wat de journalisten eigenlijk te melden hadden vanuit Bagdad. Ze zaten, voor ze op Arnett en Rojo na worden weggestuurd, in een hotel in de stad. Hun bewegingsvrijheid was beperkt en ze hadden te maken met de censuur van de Irakezen. Aan de andere kant werden vanaf het thuisfront door hun werkgevers bijzondere verhalen, beelden en geluiden geëist.

Hoe gaan de Nederlandse journalisten daarmee om in diverse oorlogen? Karskens maakte in 2001 een radiodocumentaire over dit onderwerp. Het werd een ontluisterend tweeluik over de censuur, zelfcensuur, politieke vooringenomenheid, lafheid en andere tekortkomingen van de Nederlandse oorlogsverslaggeving.

De Nederlanders werken in de marge van de machtige Brits-Amerikaanse pers (BBC/CNN), die de internationale oorlogsjournalistiek domineren. De BBC-journalist John Simpson, die bij de oorlog in Afghanistan deed alsof hij Kabul innam, is een voorbeeld van de macht van de Brits-Amerikaanse media.

De Nederlanders zijn zich er sterk van bewust dat ze moeten ‘scoren’: explosies, geruchten, lawaai en troepenbewegingen doen het beter dan achtergrondverhalen. Het gaat erom om je te onderscheiden, de relevantie van de informatie is bijzaak.

De Nederlandse oorlogsverslaggevers weten ook dat de blik op de oorlog die ze aan het thuisfront tonen, zeer beperkt is. Mochten ze per ongeluk iets interessants zien, dan mogen of kunnen ze het vaak niet melden. ‘Of je ziet het niet, en als je ziet, mag je het niet zeggen’. Ook de ‘normaliteit’ van de oorlog wordt niet op tv getoond.

Ze voorspellen in deze radiodocumentaire uit 2001 ook vrij precies, hoe de Amerikanen bij hun inval in Irak op het gebied van propaganda te werk zouden gaan. De pers krijgt zo nu en dan hapklare brokken toegeworpen, die de Amerikaanse visie op de oorlog ondersteunen.

De oud-verslaggevers spreken openhartig over hun blunders, partijdigheid, beperkte blik en zelfcensuur. Ze zeggen dat ze weten hoe weinig ze van de werkelijkheid van de oorlog kunnen tonen. Desondanks is hun werk toch de moeite waard. Door hun aanwezigheid en reportages bewijzen ze dat bepaalde zaken hebben plaatsgevonden.

Joris Smeets

Bron:
Arnold Karskens ‘Berichten van het front’ (Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1995)

Beluister ook de tweedelige radiodocumentaire van Arnold Karskens (zie website)
(Uitgezonden op 10 en 11 oktober 2002 op 747AM en Radio 1)