Een vrouwelijke pionier in de oorlogsjournalistiek Martha Gellhorn

- Zoom
- Carl Rollyson 'Beautiful Exile. The Life of Martha Gellhorn'
Martha Gellhorn schreef tientallen jaren over oorlog. Haar sociaal bewogen stukken gaan over het lot van gewone mensen. Biograaf Rollyson ziet enige beperkingen in haar aanpak.
Een vrouwelijke pionier in de oorlogsjournalistiek
Naar een oorlog gaan, partij kiezen en dan schrijven over wat oorlog doet met gewone burgers en soldaten. De ene partij is goed en de andere fout. Vertrouw alleen op wat je ziet. Dat was in het kort de methode van Martha Gellhorn (1908-1998), één van de eerste bekende vrouwelijke oorlogsjournalisten van de 20ste eeuw.
Deze manier van werken maakte haar wereldberoemd. Ze begon eind jaren dertig en was actief tot in de jaren tachtig. Hoogtepunten in haar legendarische carrière waren de Spaanse burgeroorlog, de Tweede Wereldoorlog en Vietnam. Daarnaast bezocht ze fronten in China, het Midden-Oosten, Finland en Midden-Amerika.
In de Spaanse burgeroorlog kreeg ze een relatie met schrijver Ernest Hemingway, met wie ze later trouwde (zijn derde, haar tweede huwelijk). In de Tweede Wereldoorlog wist ze tegen alle regels van het leger in tijdens de invasie van Normandië in 1944 met de eerste troepen aan land te komen. In Vietnam verkondigde ze dat de Amerikanen met een foute oorlog bezig waren.
De biografie van Carl Rollyson is kritisch over Gellhorn. Dat ze lef had, sociaal bewogen was en goed kon observeren en schrijven is onomstreden. Hij heeft het voorzien op haar beperkte politieke inzicht, haar afkeer van politiek en macht, en haar tomeloze ambitie. Ze was echte insider, want ze had een indrukwekkend netwerk tot in de hoogste politieke regionen van het Amerikaanse establishment.
Martha Gellhorn kwam uit een invloedrijke familie in St. Louis. De connecties van haar moeder Edna, een voorvechtster van vrouwenkiesrecht, reikten tot in het Witte Huis. Haar dochter Martha zou bevriend raken met presidentsvrouw Eleanor Roosevelt en kreeg eenvoudig toegang tot het Witte Huis.
Een andere invloedrijke vriend (en later echtgenoot) van Gellhorn was Ernest Hemingway. Tijdens de Spaanse burgeroorlog behoorde ze tot de kleurrijke ‘hofhouding’ van Hemingway in Madrid, waar bijvoorbeeld ook de Amerikaanse stierenvechter Sidney Franklin in rondliep. Hemingway was de antifascistische strijd van de republikeinen tegen de nationalisten van Franco zeer toegedaan. De republikeinen legden hem in de watten en Gellhorn dus ook.
De relatie tussen Gellhorn en Hemingway ging tijdens de Tweede Wereldoorlog hard achteruit, aangezien hun grote ambitieuze ego’s botsten. Hemingway wilde vissen op Cuba en jaagde met zijn boot tevergeefs op Duitse duikboten. Gellhorn wilde naar zoveel mogelijk fronten. Een ander probleem was, dat Gellhorn veel betere journalistieke stukken schreef dan Hemingway. Dat vond hij niet leuk.
Aan de andere kant was Hemingway politiek een stuk realistischer (en veel beter in fictie). Gellhorn heeft de gecompliceerde Spaanse burgeroorlog altijd beschouwd als een strijd tussen goed en kwaad, zonder al teveel nuances. Hemingway schreef tijdens de burgeroorlog pro-republikeinse propaganda, maar schreef achteraf de roman ‘For Whom The Bell Tolls’, waarin hij ook kritiek had op de republikeinen.
De Tweede Wereldoorlog was daarentegen zeer geschikt voor haar methode van verslaggeving. Nazi-Duitsland was voor iedereen het grote kwaad. Maar in Vietnam werd het weer lastiger. Dat de Amerikanen fout zaten in die oorlog betekende niet automatisch dat de Noord-Vietnam alleen maar goed zat. Zo correct was de Vietcong ook weer niet tegen de eigen bevolking.
Rollyson meent dat Gellhorn het zich op politiek gebied nogal eenvoudig maakte. Zowel in Spanje als in Vietnam ‘she revealed a wilful ignorance of the larger canvas of history’. Die beperking is ook duidelijk aan het advies dat ze anderen over journalistiek gaf: ‘Write what you see. I never believed in that objectivity shit’.
Aan het eind van haar leven had ze voornamelijk kritiek op de politiek van democratische landen en bleef ze het regime van Castro op Cuba juist goed vinden. Dit patroon van politiek denken van Gellhorn is niet origineel.
Het is een combinatie van stevige kritiek op haar eigen land de Verenigde Staten, die grenst aan een soort zelfhaat, waardoor ze vaak sympathie heeft voor landen die te lijden hebben gehad onder Amerikaanse inmenging. Ze woonde dan ook lange tijd in het buitenland.
Het eigenaardige is, dat ze totaal andere criteria aanlegt voor democratische staten dan voor anti-Amerikaanse regimes. Democratieën moeten mensenrechten respecteren, maar voor regimes die zich tegen Amerikanen verzetten geldt dit weer niet. Inmenging van communistische grootmachten als de Sovjet-Unie en China valt ook onder andere regels dan Amerikaanse bemoeizucht met het buitenland.
Gellhorn zag het lijden van anderen heel scherp, maar was zelf nauwelijks in staat tot enige compassie met mensen in haar omgeving. In de omgang met anderen legde de sociaal bewogen journaliste een bepaald soort afstandelijkheid aan de dag, die vaker voorkomt bij idealisten. Hemingway vatte dat ooit mooi samen door te zeggen dat Gellhorn van de mensheid hield, maar niet van mensen.
Joris Smeets
Carl Rollyson ‘Beautiful Exile. The Life of Martha Gellhorn’ (Aurum Press, London 2002)