Main Content

Klooster en meisjesinternaat op het landgoed Larenstein in het Velp 'Liefdesgesticht' Larenstein

  • 10 januari 2003
De Goede Herder
Zoom
De Goede Herder

Larenstein was voor de bewoners van Velp een geheimzinnig klooster. Volgens geruchten werd het bewoond door ‘gevallen meisjes’.

Klooster en meisjesinternaat op het landgoed Larenstein in het Velp

Aan de rand van mijn geboortedorp lag het klooster, ommuurd, afgesloten van de buitenwereld, vlak bij het zandlichaam voor een autosnelweg naar Duitsland die de mensen in de oorlog het Hazenpad noemden omdat ze hoopten dat de bezetter dit maar gauw zou kiezen.

Van wat zich achter die muur afspeelde wisten wij, protestanten, niks. Dat was logisch, je had niks te maken met het katholiekendom en wilde er niks mee te maken hebben. Maar de katholieken in Velp bleken er, als je hen al ooit sprak, evenmin iets vanaf te weten. Het heette dat er ‘gevallen meisjes’ in het klooster zaten.

Gevallen meisjes! Het begrip maakte onze verbeelding gaande. Hoe zagen gevallen meisjes eruit? Helaas vertoonden ze zich nooit, al moeten ze later, in de jaren zestig, groepsgewijs en onder strenge begeleiding van nonnen wel eens een wandeling gemaakt hebben langs de straatweg die van Arnhem naar Zutphen voerde.

Heb ik ze toen gezien of heb ik mij dat alleen maar verbeeld? In mijn herinnering zien ze bleek en schichtig, in grauwe schooluniformen. Van de wuftheid van het begrip gevallen meisje bleef niks over.

Tegen mijn jeugdvriend Jan Siebelink, romancier, bracht ik in een interview die meisjes uit dat klooster Larenstein eens ter sprake. Daarop ontvingen wij een brief van een mevrouw uit Brabant. Onze terloopse jeugdherinnering bleek voor haar een oude wonde.

Haar moeder had, al was ze geen gevallen meisje maar een kind uit een ‘moeilijk gezin’, haar hele jeugd in het klooster doorgebracht. Het had haar leven overschaduwd en, naar zij aannam, van honderden lotgenoten, vrouwen die nog in leven moesten zijn. De historie van dat meisjesinternaat was volgens haar ‘in de doofpot gestopt’ en moest voor die vrouwen ’bespreekbaar gemaakt’ worden. Konden wij daar niet iets aan doen?

Het toeval wilde dat ik kort daarop werd uitgenodigd een lezing te houden in de voormalige kapel van het klooster. Het moest, zoals zoveel kloosters, in de jaren zeventig opgedoekt worden en sedertdien is er een internationaal agrarische hogeschool gevestigd. Ik nam de gelegenheid te baat bij de directie te informeren naar de geschiedenis van het complex, maar niemand bleek mij en die Brabantse mevrouw verder te kunnen helpen. Een archief was niet aangetroffen en de nonnen waren bij de overdracht weinig mededeelzaam geweest.

Ik besloot de brief uit Brabant door te sturen naar het VPRO-radioprogramma OVT. Was dit niet bij uitstek onvoltooid verleden tijd!? Een tijdje later kreeg ik bericht dat redactrice Astrid Nauta begonnen was naspeuringen naar het klooster te verrichten. En weer later dat ze met veel moeite enige vrouwen had opgespoord die er als meisje hadden gewoond en daar wel over wilden vertellen. Ten slotte ontving ik van haar de uitgetikte opnamen van die gesprekken. Ik las ze en stond versteld.

Ruim tachtig jaar, tussen 1892 tot 1973, dreven de Zusters van de Goede Herder daar aan de rand van Velp een internaat waar duizenden meisjes (in 1932 woonden er bijvoorbeeld maar liefst 335 in getal) onder een onbarmhartig regime werden ’opgevoed’. Het waren wezen, kinderen die om allerlei redenen uit huis waren geplaatst en meisjes die zoals dat heet ‘met justitie in aanraking waren geweest’. De details zijn verbijsterend.

Bij hun intrede op Larenstein kregen ze niet alleen ‘gestichtskleren’ maar ook een andere naam, doorgaans van een katholieke heilige. De ontpersoonlijking werd grondig ter hand genomen. De meisjes wisten niets van elkaars achtergrond en vroegen er ook niet naar (want het was, zoals er een zegt, je enige stukje privacy).

De eerste uren van de dag mochten ze niet met elkaar praten, op het stiekem uitwisselen van adressen stond straf. En die straffen waren niet mis: opgesloten worden in een donkere kast, op je blote knieën knielen in harde grauwe erwten.

Naar huis gingen de kinderen nooit, visite van familie kregen ze zelden en als er al bezoekers kwamen werden deze ontvangen in een kamer met een traliehek dat hen scheidde van de meisjes. En die mochten vooral niet vragen om eens vaker te schrijven: intimiteit was bedreigend voor de orde in het klooster. In de herinneringen overheerst gebrek aan liefde.

Astrid Nauta sprak vrouwen die naar Velp waren gestuurd omdat hun moeder de opvoeding niet aankon, maar ook met eentje die omgang had met een Turkse jongen. Dat was genoeg voor jarenlange opsluiting in deze katholieke kindergevangenis.

Er zaten ook meisjes die ‘een kind hadden gehad dat hen was afgepakt’. Maar de meesten waren, als ze omstreeks hun twintigste Larenstein verlieten, volkomen wereldvreemd. Eentje zag een pasgeboren jongetje en schrok zich een hoedje: ze dacht dat het kind mismaakt was.

Regelmatig klommen meisjes over die hoge muur om te ontsnappen aan het onbarmhartige en liefdeloze regime op Larenstein. De meesten werden door een onbezoldigd veldwachter in de kraag gevat voordat ze de tram naar de vrijheid konden nemen. Het veroorzaakte onder ons protestanten nooit opschudding. Zo gingen roomsen blijkbaar met ‘gevallen meisjes’ om en in het toenmalige Nederland liet men elkaar nu eenmaal ‘in zijn waarde’.

John Jansen van Galen


Luister naar
OVT zondag 14 maart om 11.25 uur, met daarin een documentaire over het liefdesgesticht.