Main Content

Historisch reisverhaal van Herman Staring Even Napoleon

  • 28 juli 2003
Oorlogsspel Austerlitz, de slag die Napoleon won
Zoom
Oorlogsspel Austerlitz, de slag die Napoleon won

Slavkov heet het plaatsje, even ten oosten van Brno in Tsjechië, waar wij, mijn vrouw en ik, zes jaar geleden met onze Tsjechische vrienden uit een dorpje in de buurt van Plzen naar toe reden.

Historisch reisverhaal van Herman Staring

Onze vriendschap was als gevolg van een uitwisseling van middelbare scholieren uit Cheb en Arnhem ontstaan. Dat moet je wel gezien hebben, vonden ze, wetend van mijn belangstelling voor geschiedenis.

Slavkov, wist ik veel. Bijna twee eeuwen geleden heette het Austerlitz, vertelden de Tsjechen. Mijn aandacht was direct gespitst op die plek, een grote, door lage heuvels omringde vlakte waar Napoleon in 1805 de legers van Alexander I van Rusland en Frans I van Oostenrijk verpletterde in een veldslag die in de historie bekend staat als de Driekeizerslag.

We reden over een vervallen weg naar de herdenkingsplaats waar een pompeus gevaarte, het Monument van de Vrede, de herinnering aan de veldslag levend moest houden. Binnen een klein altaar met kaarsen, wat bloemen en twee treurende vrouwen aan de wand, en een ossuarium met het gebeente van talloze, anonieme soldaten.

In een nabijgelegen museum werd de slag uitvoerig in beeld en geluid gebracht. Een maquette bracht klaarheid: kijk, daar staat Napoleon, Zuran heet die hoogte, voor hem zijn troepen met bevelhebbers als Murat, Bernadotte en Rivaud, naast hem maarschalk Berthier en zijn adjudant, kolonel-generaal Junot.

Eens zien, daar ligt Kutuzov, de Russische generaal, die het oppercommando heeft over de geallieerde troepen. De Rus blaakte van zelfvertrouwen, las ik ergens. Hij kon immers rekenen op een substantiële overmacht. Bovendien hadden hem berichten bereikt, dat de Fransen vermoeid waren en liever naar Frankrijk terugkeerden. Ook zijn mannen waren overmoedig of dronken zich moed in. Er wordt beweerd dat de wodka in de nacht voor de slag rijkelijk vloeide.

Een haveloos verbandkistje, wat verschroeide lappen en flarden van bloedbevlekte vaandels verhinderden een al te romantische kijk op de slag die op de ochtend van 2 december 1805 begon. Napoleon met zijn Grande Armée van 75.000 soldaten tegen 5.000 meer Russen en 25.000 Oostenrijkers. Daarvan bleven na het optrekken van de kruitdampen 800 Fransen en een veelvoud daarvan aan geallieerden, waarvan 15.000 Russen, levenloos op het slagveld liggen.

Maar minstens zo vreselijk was het lot dat nog eens zo’n 20.000 Russen trof nadat zij zich, opgejaagd door het oprukkende geschut van Napoleon, in paniek terugtrokken. Zij zakten door het broze ijs dat op een aantal meertjes in de buurt lag en verdronken jammerlijk. Binnen zegge en schrijve één dag was de slag voorbij. Nauwelijks vier dagen later werd de wapenstilstand gesloten.

Napoleon en keizer Frans tekenden op 26 december in Bratislava de vrede. Het kostte de Oostenrijkse keizer veel aanzien, macht en land. Alexander, die op veilige afstand de gevechten had gadegeslagen, was eerder al spoorslags naar Petersburg teruggekeerd. De Franse keizer zou enkele jaren later proberen definitief met zijn Russische collega af te rekenen.

Kom, zeiden onze vrienden, laten we nou maar eens op het slagveld gaan kijken. Het zag er allemaal vredig uit. Weids, licht glooiend, wat boomgroepen, te jong om getuige te hebben kunnen zijn van de slag, in de verte de weg van Brno naar de Slowaakse grens. En boven ons zich langzaam samenpakkende en donker wordende wolken. De wind stak op.

Op het heuveltje Zuran stond een marmeren tafel met de inscriptie dat hier Napoleon zijn stafkaarten had uitgespreid, overleg had gepleegd met al die krijgshaftige steken en epauletten. Ik keek van de tafel naar het veld dat zich beneden me naar de kim uitstrekte en om me heen, en terug.

Toen begon het te weerlichten en te donderen Ik voelde de geschiedenis met haar volle gewicht op mij neerploffen. De slag werd weer gestreden. Ademloos keek ik toe hoe de kanonnen vuur spuwden, de regimenten op elkaar inhakten en huzaren charges uitvoerden. Een oorverdovende mengeling van gebulder en geschreeuw steeg op uit de diepte.

Het begon te druppelen. Mijn vrouw zocht beschutting in de auto. Daar ligt een krant in, riep ik haar na, vouw die als een muts. Ze begreep het. Lachend ging ze aan het werk. De druppels werden dikker, de wolken donkerder. Sneller, schreeuwde ik, nog sneller. Bliksemschichten schoten van links naar rechts. De donder rolde over de velden uit. Steeds maar weer.

Mijn vrouw kwam met een papieren steek naar me toesprinten. Ik zette hem op, stak mijn rechterhand op maaghoogte in mijn bloes en triomfeerde. Even Napoleon. Achter mij hoorde ik onze vrienden het uitproesten. Andere toeristen zetten mij met de koplampen van hun auto in het volle licht en hielden lachend hun duim omhoog. De muts en het gebaar bleken voldoende om hun historisch besef te reactiveren. Of dachten ze met een vrolijke gek van doen te hebben?

De kletsnatte muts zakte roemloos over mijn oren. De donder hield als bij toverslag op. Het avontuur flitste uit. Doorweekt rende ik naar de auto. Met een brede grijns keek ik naar de gezichten van mijn vrienden. Zouden ze uit beleefdheid hebben gelachen? Bekeken ze mij nu met andere ogen? ‘Du warst grossartig’, vonden ze, je hebt er een leuke show van gemaakt. Ik bedankte hen voor het compliment. Maar zouden ze ooit begrijpen dat ik echt even ...?

Herman Staring