Interview met Johannes Houwink ten Cate Holocaust- en Genocidestudies

- Zoom
- Kamp Vught
Zelden klonk een vakgebied zo luguber als de nieuwste aanwinst van de Universiteit van Amsterdam: het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies.
Interview met Johannes Houwink ten Cate
Historicus Johannes Houwink ten Cate (1956), die op 8 mei 2003 zijn hoogleraarsambt aanvaardde, zal het nieuwe centrum gaan leiden. Onderstaande is een verkorte versie van een interview met hem in historisch tijdschrift Nieuwste Tijd (nr. 7, maart 2003).
Het Centrum voor Holocaust en Genocidestudies kent twee geestelijke vaders: Yehuda Bauer, bekend als historicus van Yad Vashem en NIOD-directeur Hans Blom. Zij namen het initiatief, nadat in 1988 een aantal westerse landen de verklaring van Stockholm hadden ondertekend. In die verklaring beloofden zij gezamenlijke activiteiten op het terrein van holocaustonderzoek en –herdenking te zullen ontplooien. In verschillende Westerse landen werden onderzoeksinstituten opgericht of uitgebouwd. Zo ook in Nederland.
- Waarom komen al die instituten juist nu allemaal op?
‘Het is een ontwikkeling die je moet zien in het licht van het wereldwijde debat over de restitutie van joodse bezittingen en joods vermogen. Als geen ander wordt juist de jodenvervolging gekenmerkt door een geografische verspreiding der slachtoffers. Daarnaast is er een duidelijke relatie met Amerika. Veel verwanten en nabestaanden van de slachtoffers wonen daar inmiddels.
Dat maakt de joodse situatie zo uniek en anders dan bijvoorbeeld die van Armeniërs. Die zijn ook verspreid, maar nooit uitgeweken naar Amerika. En om verder te gaan, er is geloof ik ook geen Cambodjaanse diaspora en geen Rwandese. Dat verklaart misschien wel waarom er afgezien van allerlei financiële en politieke redenen, voor die andere genociden tot op heden ook minder belangstelling is.’
- Wellicht een reden voor uw nieuwe instituut om zich juist op die ‘andere’ genociden te richten…
‘Ja, daar kan ik me iets bij voorstellen, maar dan moet je daar ook de kennis voor in huis hebben of halen. En dat is nog niet zo eenvoudig. Het wetenschappelijk onderzoek naar moderne genociden is veel diffuser dan dat naar de shoah. Er zijn veel minder centra, terwijl de thema’s veel meer verspreid zijn over de wetenschappelijke disciplines, variërend van sociologen, antropologen en psychologen tot en met Azië- en Afrikadeskundigen. En dan heb je het over de taalbarrières nog niet eens gehad.
De keerzijde is dat je je goed kunt voorstellen een bijdrage te leveren aan de interactie tussen al die disciplines. Ik zou het bijvoorbeeld op het terrein van de shoah een verrijking vinden meer aandacht te besteden aan de sociaal-wetenschappelijke bijdragen, terwijl ik in het geval van het moderne genocide-onderzoek juist de historische bijdrage zou willen vergroten.’
- Waar zou u willen beginnen?
‘Behalve de samenwerking met andere disciplines, kan ik me voorstellen dat we het tot op heden altijd sterk op Amsterdam gerichte onderzoek naar de jodenvervolging meer op de regio zullen richten. Daar valt nog veel boven water te halen.
Verder zou het denk ik vreemd zijn als we ons niet zouden richten op bronnenmateriaal dat in Nederland aanwezig is. Denk aan het Joegoslavië-tribunaal. In Den Haag liggen tonnen aan documenten. Bovendien komt daar dat nieuwe internationale strafhof. Nou, dan ligt het zeer voor de hand dat wanneer je op een goudmijn zit, je daar gebruik van maakt.’
- Helpt meer onderzoek om beter te begrijpen?
‘Nee. Meer onderzoek helpt om de historische achtergronden beter te begrijpen. Maar niet om te begrijpen wat de mensen op de plek des onheils is aangedaan. Misschien dat psychologisch onderzoek op dat punt wel werkt, maar een gewone historicus kan het niet begrijpen.’
- Wat valt er nog aan toe te voegen?
‘Wat je in Nederland ziet, is dat de geschiedenis van de jodenvervolging vooral die van Amsterdam is. Er is in verhouding veel minder geschreven over Rotterdam, Den Haag en de rest van Nederland. Daar ligt in de gemeentearchieven nog veel bronnenmateriaal over. Verder liggen er ook nog talloze vragen, die je niet kunt beantwoorden aan de hand van het Nederlandse bronnenmateriaal.
Er zijn ongeveer 34 000 Nederlandse joden naar Sobibor weggevoerd en geen mens weet waarom die mensen niet naar Auschwitz zijn gebracht. Ik heb het antwoord op die vraag in Amsterdam niet kunnen vinden. Onlangs zei een Amerikaanse collega dat ik daarvoor naar Moskou moet. Nou, als je het dan over het onderzoek in Oost-Europa hebt; dat staat daar nog in de kinderschoenen.’
‘Wat de thematiek betreft, inmiddels zijn we zover dat het verschil tussen daders en omstanders wordt vervaagd. Langzamerhand wordt de norm dat je een Joodse onderduiker in huis moet hebben gehad, dan sta je als het ware aan de goeie kant van de streep. Alles wat minder is, is niet goed genoeg. Dat is natuurlijk een hele goedkope manier om je van het verleden te distantiëren.’ ‘Je moet dan oppassen voor al te gratuite kritiek – een navrant mengsel: moraliserend, maar volkomen kosteloos en zonder enig gevolg.’
- Kan onderzoek, en dus ook zo’n nieuw instituut, een bijdrage leveren aan het voorkomen van genocide in de toekomst?
‘Dat is niet eenvoudig. Maar er zijn in de Verenigde Staten nogal wat sociale wetenschappers die denken dat ze het kunnen. Zij verzinnen ‘early warning systems’. Maar nou is het probleem dat zij één vrij wezenlijk onderdeel nog niet kunnen oplossen, namelijk dat er plaatsen zijn waar de logische voorwaarden voor genocide wel aanwezig zijn, terwijl zij niet plaatsvindt. Met andere woorden: met die gestelde voorwaarden in de hand is er vaak sprake van genocide, maar niet altijd.’
- Welke voorwaarden zijn dat?
‘Er zijn historisch gezien ruwweg twee vormen van genocide: het ene is het resultaat van een etnisch conflict om de staatsmacht, het andere dat van een staatsmacht die de minderheid in de vuilnisbak van de geschiedenis gooit.’
‘De eerste vorm zie je terug bij de Hutu’s versus de Toetsi’s in Rwanda. Geen van beide groepen heeft nadrukkelijk de beschikking over de staatsmacht, maar beide streven dat wel na. In dat gevecht vindt er vervolgens een soort ‘privatisering’ van de genocide plaats, waarbij rovershoofdmannen, criminelen en/of warlords worden ingezet om de andere groep af te slachten.’
‘De tweede vorm van genocide vloeit voort uit een ideologische utopie. Dat zijn samenlevingen waarin de elites een manier hebben gevonden om om te gaan met een militair gezien mogelijk bedreigende situatie.
Dat wil zeggen dat motieven van de onderliggende en gediscrimineerde groep structureel in diskrediet worden gebracht, bijvoorbeeld door er steeds op te wijzen dat die groep een gevaar is op weg naar de beoogde ideale samenleving.
Dus óf die samenleving gaat ten onder of de samenzwering gehoorzaamd aan het morele bevel van het opruimen van die minderheidsgroep. Een typerend voorbeeld hiervan zie je terug in de film Una Giornata Particolare. Daarin wordt op een gegeven moment gezegd: “Die meneer van de tweede verdieping is niet tegen het fascisme, maar het fascisme tegen die alleraardigste meneer van de tweede verdieping.” ’
‘Terugkomend op die early warning systems. Er moet, in dat tweede geval, een ideologie zijn, maar dat is op zichzelf niet voldoende. Er moet ook een bureaucratie zijn, die in staat is om de gediscrimineerde minderheid te laten verdwijnen en dan nog is er niet automatisch sprake van een genocide. Want in een totalitaire staat wacht men totdat er een oorlogs- of pseudo-oorlogssituatie ontstaat voordat men aan het uitroeien van die minderheid begint… er is dus sprake van een fysieke oorlog of een staat van beleg én er zijn mogelijkheden tot geheimhouding…’
‘Dan zeg je eens niet “Waarom hebben de geallieerden Auschwitz niet gebombardeerd?” maar: “Wat wist de Britse geheime dienst al veel op een vroeg moment” of “wat hebben de nazi’s gefaald in hun opzet, als je die vergelijkt met Pol Pot.”’
Laura van Hasselt en Peter Sierksma