De uitvinding die te vroeg kwam De lens

- Zoom
- Een zogeheten Clark-objectief, een antieke lens.
Misschien kwam het wel omdat we in een vlak land wonen, met vrij zich naar alle kanten. Of misschien was het toeval, wie zal het zeggen? Feit is, dat Nederland iets heeft met lenzen. Iets moois, een band.
De uitvinding die te vroeg kwam
Toen de lens in 1608 voor het eerst werd gepatenteerd, was het de Zeeuwse brillenmaker Hans Lipperhey die tekende voor de aanvraag. Christiaan Huygens bouwde er een revolutionair soort telescoop mee, en ontdekte vervolgens de ringen en de maan Titan van Saturnus. En dan was er natuurlijk Anton van Leeuwenhoek. Die ontwaarde door de lens achtereenvolgens bacteriën, spermatozoïden en rode bloedcellen.
Toch is de lens geen exclusief Nederlands product. De lens (Latijn voor ‘linze’, vanwege de halfbolle vorm) werd al vele eeuwen eerder gebruikt. De oude Perzen slepen al glazen lenzen rond het jaar nul. De Romeinse schrijver Seneca wist al dat kleine letters beter leesbaar worden als je ze door een bol water bekijkt. In de Middeleeuwen beschikte men in de kloosters al over primitieve leesbrillen en vergrootglazen. En de eerste geleerde die door een lens naar de hemel keek, was niet Huygens, maar Galileo Galileï.
Maar in de zeventiende eeuw werd de lens wetenschappelijke mode, constateren althans historici Alan MacFarlane en Gerry Martin in hun boek “The Glass Bathyscaphe”. Glas was voor de zeventiende eeuwse wetenschap wat silicium nu is: het symbool van technologische vooruitgang en moderniteit. En dus was iedereen, van Spinoza tot Newton, in de weer met glazen kolven, thermometers, barometers en lenzen. Nederland ging wat dat betreft gewoon mee met de vaart der volkeren. We waren onze tijd hooguit iets vooruit.
De lenzenlente van de zeventiende eeuw zorgde al direct voor geduvel. Galileï constateerde dat de mens helemaal niet zo bijzonder is in het heelal, door te ontdekken dat ook Jupiter manen heeft en vooral door zijn bevinding dat de aarde rond de zon draait, in plaats van andersom. Dat kwam hem te staan op oorlog met de kerk.
Verwonderlijk genoeg kregen de Nederlandse microscopisten Van Leeuwenhoek en Jan Swammerdam het níét met de kerk aan de stok – terwijl Van Leeuwenhoek het toch oneerbiedig waagde ‘kleine mensjes’ te herkennen in sperma. Maar de microscoop-onthullingen vonden plaats in een ander land en kwamen tientallen jaren ná Galileï bovendien.
En: het waren ontdekkingen van een ander soort. Galileï had zijn lens op de hemelen gericht; Van Leeuwenhoek en Swammerdam richtten hun lenzen op aardse zaken als peperkorrels, bloeddruppels en insecten. De microscopisten ontdekten dat de schoonheid van de schepping zelfs besloten lag in het allerkleinste. En zo zagen ze het dan ook. “Gods ontelbare wonderen zijn verpakt in deze kleine beestjes,” schreef de vrome Swammerdam na het bestuderen van insecten.
De échte dreun van de microscopie richting mensheid zou op zich laten wachten, tot laat in de twintigste eeuw. Want inmiddels heeft ook de microscoop geleerd dat de mens niets voorstelt. Op aarde is eencellig, microscopisch klein leven de regel. De mensen zijn de uitzondering, het malle frutseltje aan de boom van het leven. Van Leeuwenhoek dacht nog dat er in één druppel water meer levende wezens wonen dan in een dorp. Inmiddels weten we dat er in een beetje slootwater al snel meer bacteriën leven dan dat er mensen rondlopen op aarde. Ook de microscoop heeft de mens en zijn goden verdreven uit het middelpunt van het heelal. Het heeft alleen wat langer geduurd.
De lens, die is gebleven. Tegenwoordig gebruiken we natuurlijke, door zwaartekrachtvelden gemaakte lenzen in het heelal om zeer veraf gelegen sterren te zien. We hebben telescopen waarmee we details op verre planeten onderscheiden. Microscopen waarmee we losse atomen kunnen betasten en verschuiven. Brillenglazen die zo dun zijn dat we ze op onze oogbol dragen.
Nog altijd heeft Nederland iets met de lens. Eerder dit jaar onthulde Philips op een techniekbeurs een nieuw, geavanceerd soort lens, waarbij de eigenlijke lens bestaat uit het gebolde oppervlak van een plasje vloeistof. Die heeft de toekomst, menen ze bij Philips. Lipperhey moest eens weten.
Maarten Keulemans
Uitzending: 18 juli 2004
Gasten: Marian Fournier, Rienk Vermij
Bronnen: Alan MacFarlane en Gerry Martin, “The Glass Bathyscaphe” (Profile Books, 2002);
Marian Fournier, “The Fabric of Life” (The John Hopkins University Press, 1996);
Rienk Vermij, “The Calvinist Copernicans” (Koninklijke Nederlanse Akademie van Wetenschappen, 2002)
Extra afbeeldingen
- Zoom
- lens2
- Het is niet geheel duidelijk wanneer de lens precies werd uitgevonden. In het British Museum bewaart men deze lens die bij opgravingen in Bagdad werd gevonden. De lens is vermoedelijk tweeduizend jaar oud - als hij inderdaad als lens werd gebruikt. (British Museum)
- Zoom
- lens3
- De nieuwste vinding van Nederlandse bodem: een zeer kleine, supersnelle lens van Philips die in feite bestaat uit enkele druppels vloeistof. (Philips)