Main Content

De uitvinding die te laat kwam De sextant

  • 23 juli 2004
Zoom

Bijna alle kusten waren al bevaren en beschreven, maar nog steeds kon geen enkele schipper op zee precies bepalen waar hij zich bevond. Meer dan een eeuw wachtte men op de sextant.

De uitvinding die te laat kwam

Zeevaart was vroeger in feite kustvaart. Zonder land in zicht wist geen enkele schipper waar hij zich nu eigenlijk precies bevond. En dus bleven zeelieden, op mariene avonturiers en vrijbuiters na, het liefst niet al te ver van wal verwijderd. Het constante gevaar op zee te verdwalen moet, zeker voor een zeevarende natie, een lastige situatie zijn geweest. Pas in achttiende eeuw werden ze bevrijd door de octant en zijn opvolger, de sextant. Eindelijk konden zeelieden redelijk nauwkeurig hun plaats bepalen. Zelfs op een zwierend dek.

Maar de wereldzeeën waren toen al uitgebreid bevaren en in kaart gebracht. Zonder exact te waar ze zich bevonden, konden schepen toch al een heel eind komen. Met dank aan de sterren. Al in de Middeleeuwen beseften zeelieden dat ze niet naar beneden moesten turen om te navigeren, maar juist naar boven. Door goed te kijken naar de sterren kon men een idee krijgen van zijn positie op aarde. Zo ontwikkelden sterrenkundigen rond 1480 het zeeastrolabium, een instrument dat de Poolster als ijkpunt nam. De Poolster was daarvoor bij uitstek geschikt, omdat hij altijd vrijwel boven de Noordpool staat.

Veel opvolgers van het zeeastrolabium gebruikten dan ook nog steeds dit betrouwbare hemelbaken. Maar navigeren op de Poolster heeft ook een groot nadeel: je kunt er alleen van noord naar zuid mee varen, en terug. Bij oostelijke en westelijk richtingen is de ster onbruikbaar. Bovendien is de Poolster op het zuidelijk halfrond achter de horizon verdwenen, en dus niet meer te zien. Om dit probleem te omzeilen werden instrumenten bedacht die de zon als richtpunt namen, zoals het quadrant. Dit leverde aanvankelijk veel doorgebrande netvliezen op, omdat men hiermee recht in de zon moest kijken, maar bij latere instrumenten werd dit nadeel snel opgelost.

Maar met al deze instrumentaria op zoek kon nog steeds niemand met zekerheid bepalen waar hij zich in oostelijke of westelijke richting bevond. De vraag naar een betrouwbaar instrument hiervoor was begin achttiende eeuw zelfs zo groot geworden, dat overheden flinke premies beloofden aan de bedenker van het verlossende hulpmiddel. Uiteindelijk vloeide hieruit de octant voort, ontworpen door de Engelse ambachtsman John Hadley. De octant had grote voordelen boven de bijvoorbeeld de graadstok of de quadrant, temeer omdat hij compacter was en daardoor veel minder gevoelig voor wind. Bovendien konden octanten met hetzelfde gemak zowel hoogtes van sterren als de zon nauwkeurig meten. Het verlangen naar de octant was niet alleen groot in Europa, ook in de Nieuwe Wereld zat met om zo’n uitvinding te springen. Vrijwel gelijktijdig ontwikkelde een glazenier uit Philadelphia de Amerikaanse versie van de octant, onafhankelijk van zijn Europese ambachtscollega’s.

Al vrij snel daarna zag men in dat oostelijke of westelijke plaatsbepaling ook aan de hand van tijd gemeten kon worden. En de maan was daarbij een erg bruikbaar ijkpunt. Maar met zijn beperkte meetbereik was de octant daarvoor echter niet altijd voldoende om de maanpositie goed te meten. Als antwoord daarop ontstond de sextant, wat in feit een octant is met een groter meetbereik. Tegelijkertijd ontstonden met regelmaat zeer gedetailleerde tabellen met maanstanden. Uiteindelijk zorgden de vergevorderde instrumentenkennis, de uitdijende kennis over de gang van hemellichamen en een sterk verbeterde tijdwaarneming ervoor dat de stuurmanskunst op zee een enorme sprong maakte gedurende de achttiende eeuw. Eindelijk konden stuurlui met een gerust hart afwijken van de gebaande zeewegen.

Het was dankzij de wetenschap dat de octant en sextant in Nederland geïntroduceerd werd. De Leidse instrumentmaker Jan van Musschenbroek had de primeur, en bood als eerste in Nederland een octant te koop aan. Het werd een hit, en binnen twee jaar na de introductie was de octant volop in gebruik bij initiatiefrijke zeelieden. De verdere verspreiding kwam in een stroomversnelling toen V.O.C. in 1741 besloot octanten in te kopen. Zeven jaar later werd het instrument verplicht voor alle Compagnieschepen.

Ook in het scheepsonderwijs werden de octant en de sextant aan de man gebracht, hoewel de meeste leergierige schippers meestal in de praktijk moesten leren hoe met het instrument om te gaan. Nederland kende, in tegenstelling tot andere zeenaties, in die tijd geen officiële zeevaartschool. Meestal waren het bejaarde of invalide zeelieden die in eigen schooltjes de kneepjes van het schippersvak doceerden.

Hoe belangrijk de sextant ook voor de zeevaardij is geweest, er zijn maar weinig mensen die nu nog weten hoe je het instrument moet vasthouden. Een typische uitzondering vormen fanatieke zeezeilers die voor lol gebruiken hebben geleerd hoe men ermee om moet gaan. Maar zelfs veel beroepszeelieden van nu hebben geen idee hoe het werkt, omdat er bijna geen les meer in wordt gegeven.

En het is ook maar de vraag in hoeverre dat nodig is, gezien de ontwikkeling van G.P.S. en soortgelijke satellietsystemen. De sextant heeft eeuwenlang andere plaatsbepalingen buiten de deur kunnen houden, maar moet nu toch zijn meerdere kennen in navigatiesystemen die op een paar meter nauwkeurig kunnen kijken. Amerika heeft hierin het superieure G.P.S. ontwikkeld. Net als bij het ontstaan van de octant, is ook deze navigatiemethode aan beide kanten van de oceaan zeer gewild. Europa is daarom aan een inhaalslag begonnen, en bereidt de introductie van zijn Galileo-navigatiesysteem voor, dat rond 2008 gereed moet zijn.

Aschwin Tenfelde

Uitzendeing: 25 juli 2004
Gasten: W.F.J. Mörzer Bruyns en Huib Zuidervaart

Bronnen: W.F.J. Mörzer Bruyns, Recht door zee – De octant in de Republiek in de achttiende eeuw, KNAW 2003