Main Content

Keizer der Vijftigers genomineerd voor Grootste Nederlander Aller Tijden Lucebert (Lubertus J. Swaanswijk) 1924-1994

  • 6 oktober 2004
Zoom
"Denken door de dieren", 1952

Een vernieuwende en experimentele ‘oplichter der liefde’. Roept in zijn beginperiode weerstand op, maar wordt al snel op handen gedragen.

Keizer der Vijftigers genomineerd voor Grootste Nederlander Aller Tijden

In het naoorlogse Nederland voeren schaarste en soberheid de boventoon, maar het culturele leven sprankelt als nooit tevoren. Eind jaren veertig staat een groep kunstenaars op die niets minder nastreeft dan de bevrijding van de kunst. Als kind van Cobra en Keizer van Vijftig rekent Lucebert af met de gezapigheid van de Nederlandse cultuur. Volgens de dichter-schilder is ‘de tijd der eenzijdige bewegingen voorbij’. Lucebert zoekt daarom ‘de taal in haar schoonheid op’ en maant ons aan ‘de blote kont der kunst te kussen’.

In 1948 sluit Lucebert zich aan bij de experimentele Cobragroep, een internationale beweging van schilders en schrijvers die als steekwoorden opnieuw beginnen en spontaniteit heeft. Kindertekeningen en kunst van primitieve volkeren brengen die onbedorvenheid tot uitdrukking. Maar de vernieuwingsdrang beperkt zich niet alleen tot het artistieke leven, alle geledingen van de maatschappij moeten veranderd worden. De kunst voorop!

Experimenteel is het kernwoord van deze tijd. Het gaat om ‘de ondervinding die wordt opgedaan tijdens het spontane scheppen.’ Niet het uiteindelijke product is van belang, maar het scheppingsproces; dat wat men ervaart bij het maken…

De dichters van Vijftig, waar Lucebert voorman van wordt, willen de literatuur wakker schudden. De nadruk komt te liggen op ‘ongekunstelde kunst, tegen het intellect en voor het lichaam.’ Ze streven een nieuwe poëzie na; geëngageerd, ongekunsteld en lichamelijk. ‘Poëzie die midden in het leven staat, zo irrationeel en absurd als het leven zelf is.’ Taal wordt niet langer gebruikt om te verwijzen en mee te delen, maar ‘eerder gaat de taal op de loop met de dichter’, zoals T. Anbeek het pleegt te zeggen. Metrum, rijm en vaste versvormen behoren tot het verleden.

Lucebert werpt zich in de jaren vijftig op als provocateur. Hans Andreus beschrijft een optreden van de dichter in 1951 als volgt: ‘Hij begon met een gedicht de analphabeet geheten en las vervolgens het abc voor. (…) Hij keerde vervolgens het glas water om over zijn hoofd, had intussen een zwart masker opgezet. Hij deed het masker af en las een gedicht voor met veel kut en kutten. Tot slot brandde hij sterretjes en zei: Mooi hè.’ Toen Lucebert in 1954 verkleed als keizer de Poëzieprijs van Amsterdam in ontvangst wilde nemen, vonden de organisatoren dit dusdanig shockerend, dat de uitreiking werd afgelast.

Maar zoals bij zoveel vernieuwende bewegingen, die aanvankelijk weerstand opwekten en provocerend waren, werd Lucebert als snel algemeen erkend, serieus genomen en geroemd, zowel als schilder als dichter. Luceberts thematiek vormt zich rondom de grote levensvragen: wat is de mens; waar komt hij vandaan; waar gaat hij heen; welke plaats neemt hij in in de schepping? In de jaren zestig houdt hij zich vooral bezig met de beeldende kunst. Als schilder verdient hij internationale faam. Hij noemt zichzelf overigens liever tekenaar, hij is kleurenblind.

Na de erkenning volgen als snel de prijzen. In 1962 krijgt Lucebert alsnog de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, gevolgd door de Constantijn Huygensprijs in 1965 en in 1967 de P.C. Hooftprijs voor zijn hele oeuvre. In 1983 ontvangt Lucebert de Prijs der Nederlandse letteren, de hoogste literaire onderscheiding in het Nederlandse taalgebied.

Marl Pluijmen

Citaten afkomstig uit gedichten van Lucebert (‘ik tracht op poëtische wijze’, ‘het proefondervindelijk gedicht’, ‘verdediging van de 50-ers’)

T. Anbeek, Geschiedenis van de literatuur in Nederland. 1885-1985 (Amsterdam 1990)

Dichter op het scherm. Profiel van Lucebert (KB Den Haag)