Main Content

19 mei 1959 – 24 juli 1963 Dr. J. E. (Jan) de Quay

  • 9 december 2005
<p> </p>
Zoom

 

Het is nu eenmaal een gegeven, dat in de eerste 30 jaar na de oorlog geen politicus ontkomt aan het stempel dat Wim Kan erop drukt. Bij Jan de Quay, premier van 1953 tot 1963, kon het “Lijmen Jan, lijmen Jan, lijmen met z’n allen” wel op zijn grafsteen worden gezet. Met de toevoeging: “lijmen tot je niet meer kan en dan maar carnavallen”.

19 mei 1959 – 24 juli 1963

Kan had de Nederlanders leren lachen om politici. Maar bij deze oud-Commissaris van de Koningin in Brabant werd het komisch effect wel erg groot. Hij was één van die klein uitgevallen premiers die het ongeluk hadden soms met minister Luns bij de even lange Franse president De Gaulle op bezoek te moeten. Dan stond de Cineac werkelijk te schudden van het lachen. Overigens was het onder De Quay’s premierschap dat het Nederlandse volk de onomkeerbare gang maakte van het Polygoonjournaal naar de televisie in de huiskamer.

Daar zag men dan een minister-president, die overduidelijk liever elders was geweest maar zijn lot goedgehumeurd droeg. En net als bij de latere premier Van Agt, bezorgde dit schuchter geëtaleerde amateurisme hem grote populariteit. Hij wilde het allemaal een beetje plezierig houden. Met zoveel gemoedelijkheid kon je je hem ook wel voorstellen als een der oprichters van de Nederlandse Unie in 1940, die het met de Duitsers op een akkoordje wilde gooien teneinde de bezetting een beetje dragelijker te maken.

Dát verleden was hem altijd blijven achtervolgen. Maar intussen was Nederland hard op weg een land te worden waar omkijken iets voor sukkels was, die de boot van de vooruitgang hadden misgelopen.

En vooruit ging Nederland. Zonder er iets voor te hebben gedaan kreeg De Quay een ongekende hoogconjunctuur in de schoot geworpen, waaronder de aardgasbel bij Slochteren. Vandaar dat onder zijn premierschap van alles gebeurde waar we nog lang mee te maken zouden krijgen: hogere lonen, de vrije zaterdag, de Mammoetwet, de eerste gastarbeiders.

Ondertussen bewaarde het zondagskind in de politiek, zoals De Quay al gauw werd genoemd, een bedrieglijke rust. De roerige jaren zestig stonden op het punt van aanbreken en achter zijn nerveuze kalmte schuilde een heftig gemoedsleven, zoals na zijn dood uit zijn dagboeken zou blijken. “Voel me klein”, noteerde hij Prinsjesdag 1959. Een jaar later: “Ben te zwak, te dom, vol onvolmaaktheden.” En: “Voel me eenzaam, ongeschikt, angstig”. Oudejaarsdag 1960: “Toch offeren. Toch de kelk tot bodem leegdrinken.”

Na vier jaar, en die ene kabinetsbreuk om te lijmen, bezorgde hij de KVP de grootste stembuszege in haar bestaan. Ieder ander had een tweede termijn geambieerd, De Quay nam de Moerdijkbrug in zuidelijke richting. Hij had het helemaal gehad met het regeren.

Rudi Boon