7 augustus 1948 – 22 december 1958 Dr. W. (Willem) Drees
Sommige oordelen lijken pas achteraf tot stand te komen. Wat is terugblikkend en alles overziende de plaats en betekenis van deze of gene premier?
7 augustus 1948 – 22 december 1958
Zo niet bij Willem Drees. Diens verpletterende gewoonheid was vanaf de allereerste dag dat hij als premier aantrad de meest gebezigde kwalificatie aan zijn adres. Én de meest gehoorde verklaring voor zijn ongekende populariteit tot in alle lagen van de bevolking.
“Het toonbeeld van de Nederlander zoals wij die gaarne zien”, schreef de NRC al in 1947. “Het prototype van de gemiddelde Nederlandse burger”, aldus Het Vaderland een paar jaar later. “Een ware Nederlander”. Of zoals Het Vrije Volk schreef: “echt Nederlands in zijn sobere levensstijl, zijn eenvoud en oprechtheid”.
Het nog maar kort geleden bevrijde Nederland had dringend behoefte aan een positief zelfbeeld en vond dat weerspiegeld in de persoon van de premier. Die op zijn beurt Nederland placht te omschrijven als een zelfportret: “stabiel, energiek, bereid risico’s te nemen en toch voorzichtig”.
Na twee kortstondige overgangspremiers sinds het einde van de bezetting was onder Drees het normale politieke leven weer op gang gekomen. Hij regeerde met brede coalities waarin maar weinig te zien was van de zo vurig verlangde politieke vernieuwing. Partijen waren opnieuw of nog steeds langs verzuilde scheidslijnen georganiseerd. De rode zuil voorop, met zijn PvdA, zijn Vara en zijn vakverbond NVV.
En toch was alles anders, en niemand die dat andere beter uitdroeg dan Willem Drees. De vooroorlogse leidersfiguur was bijna altijd een gewichtigdoener uit de adellijke of burgerlijke elite geweest. Deze had nu plaats gemaakt voor de man die ’s ochtends zijn rijtjeshuis aan de Beeklaan nummer 502 verliet om zich met duizenden andere Hagenaars naar een of ander departement te begeven alwaar het dagelijks brood werd verdiend. Het regeren werd tussen de middag onderbroken voor een boterhammetje thuis. Het verhaal gaat dat een hoge Amerikaanse functionaris op bezoek aan de Beeklaan, door mevrouw Drees een kopje thee met mariakaakje kreeg geserveerd. Waarna deze diplomaat aan Washington adviseerde de kraan van de Marshallhulp flink open te zetten; hier was het geld immers welbesteed.
Zijn soberheid functioneerde in menig opzicht als een politiek wapen van formaat. De parlementaire democratie had, al ver vóór de Duitsers er een einde aan maakten, in een slecht blaadje gestaan. Het kwam er nu op aan vertrouwen in de politiek te herstellen. Dat deed “Vader Drees”, zoals hij al gauw door het leven ging, door zelf een oerdegelijke betrouwbaarheid uit te stralen. Door een “Nederlander als alle andere” te zijn. Maar bovenal door bestaanszekerheid te creëren.
Dankzij de Noodwet-Ouderdomsvoorziening, de voorloper van de AOW, leefde het hele volk met het vooruitzicht, op termijn “van Drees te trekken”.
Gemeten naar maatstaven van moderne communicatie zou je Drees nauwelijks een leider noemen. Hij sprak slecht, maar fascineerde zijn gehoor door complexe zaken tot de eenvoudigste proporties terug te brengen. Op congressen of andere bijeenkomsten waar hij de belangrijkste gast was, kwam hij onopvallend binnen. Voor iemand het in de gaten had zat hij al op zijn stoel. Een spectaculaire entree was er nooit bij.
Inzake Indonesië sloeg hij een koloniale toon aan, de verontrusting in eigen gelederen over de politionele acties negerend. Voor zulke kwesties was hij eenvoudig niet in de wieg gelegd. Hij was en bleef voor eens en altijd: de Wethouder van Nederland.
Rudi Boon
