5 april 1967 – 6 juli 1971 P. J. S. (Piet) de Jong

  • 9 december 2005
Zoom

Wie in 'Parlement & Kiezer' het hoofdstuk Piet de Jong opslaat, treft direct in de aanhef de meest perfecte samenvatting van de toestand van het land die ooit in één zin werd gegeven: "Onderzeebootcommandant die in de woelige jaren zestig een kabinet leidde."

5 april 1967 – 6 juli 1971

Ieder woord klopt als een bus. De Jong was officier en later kapitein op een duikboot die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan gevechtshandelingen deelnam, per definitie uitzonderlijk riskant.

Woelig waren de jaren zestig zeker. Alleen over de vraag of Piet de Jong leiding gaf en zo ja waaraan dan, liepen de meningen altijd uiteen. Maar een biografie van nog maar enkel jaren geleden heeft het beeld enigszins in zijn voordeel bijgesteld.

Een wonderlijke toestand was het hoe dan ook. De Trèveszaal leek onder zijn bewind zelf een beetje op een onderzeeër, en was in ieder geval de rustigste plek in Nederland. Daarbuiten waren studenten, katholieken, vrouwen, dienstplichtigen en vakbondsleden op drift geraakt. In de Kamer waren de partijen hevig verstrikt in beginselen en identiteit. Lawaaiige nieuwelingen als D66, de PPR en de Boerenpartij stalen de show en de kiezers.

Ondertussen bestiert De Jong het land alsof daar iedereen gepensioneerd is, hijzelf in de eerste plaats. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij daar alleen maar zit om op de winkel te passen. Van de meeste dossiers heeft hij geen kaas gegeten en daarom laat hij maximale ruimte aan zijn ministers. Die zijn daar natuurlijk zo tevreden over dat De Jong de hele kabinetsperiode geen kind aan ze heeft. En in de Kamer kan even niemand een crisis gebruiken.

Aan dat ontspannen beeld droeg De Jong zelf met genoegen bij. 'Als je eenmaal het suizen van de zeis hebt gehoord', zei hij eens, verwijzend naar zijn oorlogservaringen, 'heb je voor je hele verdere leven geleerd te relativeren'. Met zijn bolhoed, bonhommerie en kwinkslagen, en zijn aan de duikboot overgehouden gemak een team bij elkaar te houden, weet hij aardig overeind te blijven. En niet alleen in de Kamer, ook op de wekelijkse persconferentie die tijdens zijn premierschap wordt geïntroduceerd.

Tegen zijn opvolger Biesheuvel, die een vechtkabinet leidde dat al binnen twee jaar strandde, moet hij ooit hebben gezegd: 'Barend, in mijn kabinet zaten niet zoveel zwaargewichten en wij vergaderden maar tot vijf uur ’s middags, maar wij hielden dat wel vier jaar vol'.

Rustig, paniekbestendig. De provo’s, Dolle Mina’s en Maagdenhuisbezetters vatte hij op als een uiting van een na de oorlog te verwachten, zij het wat verlate pubertijd. Als het zo uit kwam was hij best bereid daaraan wat toe te geven. Zoals met de Wet Universitaire Bestuurshervorming, en verhoging van de ontwikkelingshulp. Met het paradoxale gevolg dat de historicus James Kennedy later zou schrijven dat nergens ter wereld de invloed van de jaren zestig zo groot was als in Nederland.

Zijn premierschap laat zich nu anders lezen dan in de commentaren ten tijde van zijn bewind. Hij liet een opvallende hoeveelheid wetten de Tweede en Eerste Kamer passeren, veel meer dan in de kabinetten na hem. Willy Brandt zwaaide hem lof toe voor zijn rol tijdens de EEG-top in Den Haag in 1969. Hij regelde kwesties als inkomen en de dan nog bestaande belastingvrijstelling van het Koninklijk Huis, voor hem extra delicaat als oud-adjudant van de koningin. En hij trad kordaat op bij de eerste Molukse acties.

Het eerherstel de 'meest onderschatte premier' van Nederland te zijn weet De Jong natuurlijk weer als eerste te relativeren. 'Mij vonden ze niks', zei hij in 2004 tegen Elsevier. 'Volgens het archief van Marga Klompé vond Koningin Juliana dat óók!'.
Die ontdekking zal hij niet anders hebben ondergaan dan zijn regeerperiode dertig jaar geleden. 'Ik heb', zei hij in een interview, 'als premier geen half uur slaap gemist'.

Rudi Boon