22 augustus 1994 – 22 juli 2002 W. (Wim) Kok
Toen Wim Kok in 1994 premier werd van het eerste Paarse kabinet, liep hij al een leven lang in de openbaarheid mee. Iedereen in de politiek had hij zien komen en gaan. Al vroeg ontwikkelde hij een bestuurlijke stijl, die van vakbeweging tot premierschap de zijne zou blijven: afwachten, neuzen tellen, compromissen sluiten. Met zijn praktische overtuigingskracht, smeedde Kok de veelsoortige vakbonden om tot één federatie. Een kwestie van uitersten bij elkaar brengen.
22 augustus 1994 – 22 juli 2002
Zulke eigenschappen maken een premier bij uitstek geschikt voor het begeleiden van grote veranderingsprocessen.
De jaren negentig vormen als het ware één groot veranderingsproces. De Muur is gevallen, de strijd om de ideologieën gestreden. En dan onze eigen revolutie: voor het eerst sinds mensenheugenis worden de confessionelen in de oppositie gedrongen.
Kok sluit met de VVD een deal die op maat van de tijdgeest is gesneden: marktwerking in ruil voor sociale zekerheid. In zijn Den Uyl-lezing van 1995 schudt hij sociaal-democratische dogma's over onder andere de rol van de staat als ideologische veren van zich af.
Het poldermodel wordt een voorbeeld voor Blair, Schröder en Clinton. Ze zijn allemaal, hoe verschillend ook, op zoek zijn naar een 'derde weg' tussen de vrije markt en solidariteit. Kok gaat met hen om als zijn gelijke. En opeens gaat Nederland anders naar hem kijken. Het lange jaren zeventig haar dat hem niet stond en zijn verkeerde jasjes zijn allang verleden tijd. Hij wordt 'mooi oud', zijn vermoeide kop doet soms aan Yves Montand denken, zijn onvoorstelbare soberheid aan Willem Drees. En net als Drees toch gereserveerd, al vindt zijn directe (partij)omgeving hem vaak kil en afstandelijk. Dat geeft hem iets strengs, de strenge bovenmeester. Streng doch rechtvaardig. Dit completeert het vaderbeeld. De timmermanszoon uit Bergambacht wordt nu 'Voorzitter van Nederland' genoemd.
Maar achter deze vertrouwenwekkende façade liggen tijdbommen te tikken. In drie grote parlementaire enquêtes, over de opsporingsmethodes, de Bijlmerramp en later de Bouwfraude, wordt een ontluisterend beeld van het overheidsfunctioneren getoond.
Onderzoek naar rampen als Enschede (vuurwerk, 22 doden) en Volendam (cafébrand oudejaarsnacht, 13 doden), wijzen allemaal in dezelfde richting: falend toezicht, ondeugdelijk beleid. Als bij Van der Valk een parkeerdek naar beneden komt kun je wachten op de onthulling dat de vergunningen niet in orde waren.
Een frauduleuze bestuurscultuur, treinstakingen, de maniakale privatiseringsdrift van zijn kabinetten, de dansende Dutchbatters na de val van Screbrenica die een blijvende nachtmerrie in ons collectieve geheugen zijn geworden. Het kunststukje dat Kok uithaalt om Willem Alexander en Máxima te kunnen laten trouwen kan niet verhinderen dat hij meer en meer de premier van een blunderende overheid is geworden.
Het gevoel door de verkeerde mensen bestuurd te worden begint in de jaren negentig bedenkelijke vormen aan te nemen. De successen van Paars werken nu als een boemerang. Tegen dit etalagemateriaal steekt des te schriller af de Paarse onderschatting van wat inmiddels het multiculturele drama is gaan heten.
Als de man, die dit alles trefzeker heeft samengevat onder de titel 'De Puinhopen van Paars', vlak voor de verkiezingen van 2002 wordt vermoord, stort niet alleen de wereld van de Fortuynisten in. Ook die van Kok, en alles waarvoor hij heeft gestaan. Nog eenmaal toont Kok waar het in het leiderschap om gaat. Op de avond van de moord op Pim Fortuyn, terwijl de andere politici zich ontredderd achter de muren van het belaagde Binnenhof verschansen, weet hij de juiste woorden te vinden om het Nederlandse volk toe te spreken.
Een week later lijdt zijn partij de grootste nederlaag in haar bestaan. Sterker nog, het werd de grootste verkiezingsnederlaag ooit, in onze parlementaire geschiedenis.
Rudi Boon
