Eerste feministische golf Vrouwenkiesrecht omstreden bij confessionelen in 1919

- Zoom
- Mineke Bosch 'Aletta Jacobs 1854-1929'
In 1919 verkregen vrouwen het actieve kiesrecht. Niet alleen de in 1918 opgerichte SGP kon zich niet vinden in deze regeling, ook andere christelijke partijen waren tegen.
Eerste feministische golf
De CHU sloot vrouwen uit tot 1937, de ARP tot 1953. De ARP wees lange tijd iedere activiteit van vrouwen buiten het gezin af. De partij beriep zich hierbij op Bijbelteksten waarin de plaats van mannen en vrouwen voor altijd zou zijn vastgelegd. ‘De vrouw diende onder alle omstandigheden aan de man onderworpen te zijn.’
De CHU was meer verdeeld over de kwestie van het vrouwenkiesrecht, maar de taak van moeder en huisvrouw mocht er niet onder lijden. De SDAP en de liberalen waren van het begin af aan pleitbezorgers van de nieuwe wet.
Voorafgaand aan de toekenning van het actieve vrouwenkiesrecht ging een periode die nu bekend is als ‘de eerste feministische golf’, die rond 1870 was begonnen en dus duurde tot ongeveer 1919.
Dat het feminisme rond 1870 opkwam in Nederland, had te maken met de industrialisatie en de modernisering van het leven die daarvan het gevolg was. Vrouwen uit de gegoede burgerij gingen zich vervelen, maar voor hun inkomen waren deze burgervrouwen geheel afhankelijk van hun familie.
Volgens de Nederlandse wet waren vrouwen handelsonbekwaam. Ze hadden geen burgerrechten, en de man had volledige zeggenschap over het bezit van zijn vrouw, over haar inkomen en de kinderen. De vrouw was gehoorzaamheid verschuldigd aan haar echtgenoot, zo stond in de wet.
Ook in het onderwijs werden vrouwen gediscrimineerd. Vervolgopleidingen waren alleen voor jongens toegankelijk. Tegen dit alles kwamen de vrouwen uit de ‘gegoede’ burgerij vanaf 1870 in opstand.
Belangrijke thema’s in de eerste feministische golf waren de strijd om (goedbetaald) werk voor vrouwen, beter onderwijs, kiesrecht, en erkenning en financiële steun van onwettige kinderen door hun vaders.
De in 1889 door Wilhelmina Drucker opgerichte Vrije Vrouwen Vereeniging kwam als eerste in actie tegen de ondergeschikte positie van vrouwen. In 1894 werd De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgericht door Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs. Het hoofddoel van deze vereniging was het strijden voor vrouwenkiesrecht.
Later kwam er een scheuring in de VvVK, en ontstond de Nederlandse Bond voor Vrouwenkiesrecht. Deze meer gematigde feministes wilden zich niet alleen richten op het vrouwenkiesrecht, maar wilden vrouwen ook ‘opvoeden’ om hen voor te bereiden op het kiesrecht.
Een derde organisatie was de in 1908 door Mathilde Wibaut opgerichte Nederlandse Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs, die in tegenstelling tot de VvVK voorstander was voor algemeen kiesrecht voor vrouwen.
De VvVK wilde censuskiesrecht, waarbij kiesrecht afhankelijk werd gesteld van de ‘kentekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand’. Pas in 1913 veranderde de VvVK haar doelstelling in algemeen kiesrecht en in 1916 liepen de SDVC-vrouwen en de VvVK-vrouwen samen in een demonstratie voor vrouwenkiesrecht.
In 1917 kregen vrouwen passief kiesrecht en mochten zich dus verkiesbaar stellen. In 1918 kwam als eerste vrouw Suze Groeneweg (SDAP) in de Tweede Kamer. Bij de gemeenteraadsverkiezingen kwamen er honderd vrouwen in de verschillende gemeenteraden, ongeveer één procent van alle leden.
In 1919 verkregen vrouwen het actieve kiesrecht. Op 18 september tekende Koningin Wilhelmina een wet die vrouwen het volledige kiesrecht gaf. Bij de eerste verkiezingen daarna, in 1922, kwamen zeven vrouwen in de Tweede Kamer. In dat jaar werd het vrouwenkiesrecht ook in de grondwet vastgelegd.
Renate Ammerlaan
Bronnen:
www.opzij.nl
www.elsevier.nl
OVT, zondag 11 september (uur 1), Vrouwen in de politiek; Geschiedenis van woningbouw-verenigingen; Column van Jan van der Putten; Johan en Cornelis de Witt.
Hella van de Velde, ‘Vrouwen van de partij. De integratie van vrouwen in politieke partijen in Nederland, 1919-1990’(1994)