Polygoon filmt de winter 1940-1977

- Zoom
- De gipsvluchten van de ANWB
Dichte mist, sneeuw en ijzel. De natuur kan het de mens behoorlijk lastig maken, merkte Polygoon. Maar sneeuw betekent ook winterpret en wintersportvakanties, hoewel dat laatste niet altijd even prettig eindigt.
De winter van 1941-'42 was extreem in Nederland. Volgens Polygoon was zoiets zelden voorgekomen: ‘Sinds mensenheugenis heeft Koning Winter ons niet zo’n strenge koude gebracht als in het jaar 1942. De thermometer zakt soms onder 20 graden onder nul. En de scheepvaart wordt dan ook volkomen lamgelegd.’ Nederland leek die winter honderden kilometers noordelijker te liggen.
Praag was in 1969 het argeloze slachtoffer van Koning Winter, die de stad onder in een nacht toedekte met een pak van 40 centimeter sneeuw. ‘Statistici in Tsjechoslowakije hebben snel vastgesteld dat sedert 1868 de winter er niet zo vroeg en zo hevig is begonnen’. Met Hollands relativeringvermogen stelt het Polygoon vast dat ‘we hier [in Nederland] nog niet mogen mopperen als we zien onder wel een dik pak sneeuw de Tsjechische hoofdstad Praag te lijden heeft.’
Ook mist kan een land behoorlijk lamleggen. Met Schiphol als voornaamste slachtoffer. Bij grijzige beelden met een zeer beperkt zicht becommentarieert Polygoon: ‘Zo was het nou. De mensen in de grote steden hebben er niet zoveel van gemerkt, maar buiten heeft het potdicht gezeten.’ De ijzel is gelukkig wel te bestrijden: ‘Tegen mist is geen verweer. Gladheid kan bestreden worden met strooizout.’
Tegenover de vooral logistieke geselingen van het winterweer staat de ijspret. Om dat te illustreren toont Polygoon een sneeuwgevecht: ‘Onze cameraman verwerkte de sneeuwboel tot een gooi- en smijtfilm in de ware zin van het woord.’ Ook jongeren die met een sleeën van een heuvel afglijden kunnen rekenen op een typerende Polygoon-observatie: ‘De jongelui hadden er heel wat voor over om zo snel mogelijk op het dieptepunt te komen. Aan deze volkomen negatieve houding van jong Nederland, kan alleen de dooi een einde maken. Maar dan wordt het natuurlijk wel een dooie boel.’