Main Content

Herman Brood en het romantisch onbehagen

  • 2 november 2006
Zoom

De plattelandsjeugd in De Achterhoek lalde eind jaren zeventig net zo vrolijk mee met de klanken van Herman Brood's 'Dope sucks' als die van Normaal's 't Is kloot'n hier'

Wijlen pophistoricus Hans Righart schreef ooit dat popmuziek het voertuig was van de persoonlijke bevrijding van de generatie van de jaren zestig. Het ontblote bovenlijf van Jim Morrison, het anti-uiterlijk van Frank Zappa’s Mothers of Invention en de antiburgerlijke brutaliteit van John Lennon; het scheen, aldus de historicus, allemaal één kant op te wijzen: de samenleving van de volwassenen was onecht of werd althans als zodanig ervaren. Eigenlijk was er maar een houding tegenover mogelijk; niet meedoen, of zoals de Mothers zongen: ‘Freak Out’.
Profeten op zwart vinyl die al heel wat stappen verder waren dan je zelf was. Dat waren het, of ze nou Dylan of Keith Richards heetten. Je kon het aan ze zien en je kon het aan ze horen. Alles wat ze deden, kwam neer op een langgerekt, onverbiddelijk NEE tegen het voorbeschikte leven van je vader en moeder, tegen de verveling van je geboorteplaats, tegen de vaste baan en de vaste verkering, en tegen de aanpassingspraatjes van de pastoor, de dominee en de hoofdonderwijzer. De toekomst, uitgestippeld door de mensen die het beste met je voor hadden, was in die verbeeldingsloze dagen alleen maar te verdragen omdat je helden had die voor jou het nee van zich afschreeuwden.
Waar ik opgroeide werd het romantische onbehagen in een gedoodverfde toekomst verwoord door een soort plattelands punkbandje dat nummers ten gehore bracht als Godverredomme. De rest van Nederland moest het doen met een piano spelende zoon van een kroegbaas uit de omgeving van Zwolle, wiens plaatjes, met ritmes sneller dan het leven zelf, bij ons in de plaatselijke kroeg overigens ook grijs werden gedraaid. ‘Dope sucks’ lalden wij vrolijk mee onder het genot van het zoveelste glas bier. Even zo makkelijk brulden wij in Zaal Jansen in de Kruisberg, de plaatselijke poptempel, ‘weg met orde en gezag’, omwille van ‘Alie’, het mooiste minderjarige meisje uit de Achterhoek, dat zelf wel wist wat ze kon en mocht, zoals onze plaatselijke gitaarhelden ons voorzongen.
Normaal en Herman Brood, veel meer was er niet. In het ene geval -- dat van Normaal en zijn in de beginjaren nog woeste, Jezusgelijke frontman Bennnie Jolink-- nam de revolte de kleur aan van het platteland, in het andere geval droeg het onmiskenbaar de sfeer van de stad. ’t Is Kloot’n hier’ en ‘Saturday Night’.Twee soorten popmuziek, twee wegen naar bevrijding. Een onverzettelijk boers en in zichzelf gekeerd Nee en een hitsig eindeloos opgewonden Nee.
Waar de bevrijding toe leidde voor Herman Brood is bekend. Herman is helemaal doorschijnend geworden, hij geeft als het ware een transparant licht af, laat Broodbiograaf Bart Chabot een Amsterdammer opmerken in Broodje halfom als de rock ‘n’ rolljunkie voorbij komt. Drie jaar later was Brood dood, omdat hij niet meer mee wilde of mee kon doen. Jolink was bij diens herdenkingsdienst in Paradiso. Hij voelde zich nu eenmaal, zoals hij zelf zei, op de een of andere manier verwant met Brood. Op de vraag van de verslaggever wat die verwantschap dan inhield, liet hij wat ondoorgrondelijk, landerig gemompel horen. Toch is het antwoord op de vraag eenvoudig. Het moet te maken hebben met dat nee, dat ooit voorbeeldig pissig en agressief uit Jolinks ogen sprak, toen hij, in 1978, voor het eerst in Toppop Oerend Hard zong. Het was de afwijzing van het voorgeprogrammeerde bestaan die Brood en hij deelden en die beiden voor altijd verbindt met de profeten op vinyl van een generatie.

Jos Palm