Main Content

Afgevoerd van CDA- en PvdA-lijst Kandidaat-kamerleden van Turkse afkomst ontkennen Armeense genocide 1915

  • 28 september 2006
Genocide-herdenking Jerevan 2005
Zoom
Genocide-herdenking Jerevan 2005

BELUISTER EN BEKIJK RADIO- EN TV-DOCUMENTAIRE OVER ARMEENSE GENOCIDE Het blijft een open zenuw bij Turken waar ook ter wereld: de genocide uit 1915 en '16 waar vermoedelijk meer dan een miljoen Armeniërs het slachtoffer van werden. Liefst drie kandidaat-kamerleden van Turkse afkomst (Ayhan Tonca en Osman Elmaci van het CDA en Erdinc Sacan van de PvdA) werden deze week van de lijsten van CDA en PvdA afgevoerd omdat ook zij de genocide blijven ontkennen.

Afgevoerd van CDA- en PvdA-lijst

Eerder dit jaar ontstond grote ophef rond de Turkse schrijver Orhan Pamuk. Hij verklaarde openlijk dat de genocide had plaatsgevonden, en werd vervolgens aangeklaagd omdat hij de Turkse staat zou hebben "beledigd, vernederd en vals beschuldigd". Op 27 juli werd Pamuk door een rechtbank in Istanbul vrijgesproken van smaad. Eerder werd Turkije door de EU gekapitteld over de voortdurende ontkenning van de genocide. Als Turkije deze zwarte bladzijden uit het eigen verleden niet onder ogen wilde zien, zou dat een toetreding tot de EU kunnen blokkeren.

De vraag is: waarom heeft Turkije na bijna een eeuw nog altijd zo'n probleem met de erkenning van dit gruwelijke verleden? Die vraag is lastig te beantwoorden. Een antwoord is te vinden in de crisis waarin het aloude en machtige Ottomaanse Rijk zich rond 1900 bevond. Een revolutie van Jonge Turken in 1908 moest het land nieuw elan geven. De grote Armeense minderheid in Turkije steunde die machtsovername aanvankelijk. De revolutie ontwikkelde zich echter in eng-nationalistische zin, en droomde van een nieuw Turks rijk waarin met uitsluiting van minderheden alle Turkssprekenden herenigd zouden worden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos Turkije partij voor Duitsland en raakte daarmee in conflict met Rusland. De Armeense minderheid zag daarin een kans op onafhankelijkheid en besloot de Russen te steunen. Onder leiding van de Turkse minister van Buitenlandse Zaken Talaat Pasha werden vanaf 1915 de Turkse Armeniërs verdreven en vermoord. Eén citaat van Pasha wordt in de uitgebreide literatuur over de genocide vaak aangedragen om zijn intentie tot een genocide te bewijzen: : "door de voortzetting van de deportatie van de weeskinderen naar hun bestemming gedurende extreme koude, verzekeren wij hun eeuwige rust."

Als coalitiegenoot van het verliezende Duitsland moest ook Turkije na de Eerste Wereldoorlog grote territoriale en financiële concessies doen. Zo kregen de Armeniërs in 1918 inderdaad (slechts tijdelijk) hun eigen staat. Deze door veel Turken als vernederend ervaren boetedoening leidde tot de opkomst van Atatürk, die in 1920 het presidentschap verwierf. Onder leiding van Atatürk moderniseerde Turkije, maar ook werd het nationalistische element versterkt. Een oorlog met Armenië leidde met instemming van de nieuwe Sovjet-staat tot herovering van het aan Armenië afgestane gebied. Het Armeense verleden van dit tot Anatolië hernoemde gebied werd geheel uitgewist. Vanaf dat moment is er in de officiële Turkse geschiedschrijving met geen woord meer gesproken over het lot van de Armeense minderheid in Turkije ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.

Door de toetreding van Turkije tot de NAVO (in 1952, samen met Griekenland) was er vanuit de overige NAVO-landen geen interesse in de manier waarop Turkije met het Armeense verleden omging. Als buurland van de Sovjet-Unie was Turkije immers een te belangrijke bondgenoot. Pas met de Turkse aspiraties om lid te worden van de EU kwam de Armeense tragedie opnieuw in de belangstelling. Ook in Turkije zelf hebben de Europese aspiraties tot een hernieuwde discussie over het eigen verleden geleid, maar die discussie gaat langzaam.

In BN/De Stem van 28 september zegt Ayhan Tonca (ex-CDA-kandidaat): „Ik ontken zeker niet dat er destijds veel Armeniërs zijn omgekomen, maar ook Koerden en Turken. Dat is verschrikkelijk. Het antwoord op de vraag of er ook sprake was van genocide, gerichte uitroeiing, is evenwel niet aan politici, maar aan historici. Volgens mij hebben de historici die genocide nog niet bewezen. Opening van Turkse én Armeense archieven kan duidelijkheid verschaffen. Turkije is daartoe bereid.“

Vooral die laatste twee zinnen mogen als een gotspe beschouwd worden. Turkije heeft pas afgelopen jaar onder druk van de EU toegezegd dat er onderzoek gedaan zal worden en dat er gekeken zal worden welke archieven nog beschikbaar zijn. In Armenië is, om begrijpelijke redenen, nauwelijks documentatie over de genocide bewaard gebleven. Wel vertellen daar de overlevenden (luister naar de radiodocumentaire!) al negentig jaar hun meer dan schrijnende verhalen. Zouden de kamerleden-in-spe-van-turkse-afkomst dáár niet eens naar kunnen luisteren?