Rumoer rond doodstraf en vrijlating Drie van Breda Geruchtmakende rechtszaken

- Zoom
- Andries Pieters, in 1952 ter dood veroordeeld
In Amsterdam is deze week het mediagenieke proces tegen Willem Holleeder begonnen. Het wordt nu al het proces van de eeuw genoemd. Enkele opvallende rechtszaken in Nederland uit de vorige eeuw waren tijdens de Bijzondere Rechtspraak na de Tweede Wereldoorlog en de Drie van Breda. Tijdens die Bijzondere Rechtspraak is voor de laatste keer de doodstraf uitgesproken, die in 1952 werd voltrokken. De discussie rond de Drie van Breda maakte veel emoties los.
Rumoer rond doodstraf en vrijlating Drie van Breda
DE LAATSTE DOODSTRAF
De doodstraf is in Nederland voor het laatst uitgevoerd op 21 maart 1952. Die dag stonden er twee oorlogsmisdadigers tegenover het vuurpeloton: de Duitser Wilhelm Artur Albrecht en de Nederlander Andries Pieters. Ze waren de laatsten van de 39 oorlogsmisdadigers (38 mannen en één vrouw) die na de Tweede Wereldoorlog door de staat zijn geëxecuteerd. De doodstraf was al in 1870 afgeschaft, maar werd in 1945 opnieuw ingevoerd voor de bestraffing van oorlogsmisdadigers. Tijdens de bezetting had de regering in ballingschap besloten dat er na de bevrijding speciale maatregelen moesten komen voor de bestraffing van oorlogsmisdadigers en collaborateurs. Er kwam een Bijzondere Rechtspraak én er kwam een bijzondere straf voor de allerzwaarste oorlogsmisdadigers: de doodstraf.
Pieters en Albrecht stonden in 1949 voor het eerst terecht. In eerste instantie leken het twee duidelijke zaken. Er waren zowel tegen Pieters als tegen Albrecht tientallen getuigenverklaringen, zowel van martelingen als van executies. Het ene verhaal was nog gruwelijker dan het andere en de bewijzen stapelden zich op. Zonder al te veel problemen kregen beide mannen dan ook hun vonnis: de doodstraf. Albrecht in januari, Pieters in juni 1949; de eerste in Leeuwarden, de tweede in Amsterdam. Toch was het nog geen uitgemaakte zaak. In zulke zware gevallen volgde na de eerste uitspraak altijd een beroep (dat was wettelijk verplicht), en in cassatie bleken de zaken gecompliceerder te liggen.
Bij Albrecht gold vooral de lastige verantwoordelijkheidskwestie: 'Befehl ist Befehl'. Hij was weliswaar leider van zijn eigen, ongetwijfeld misdadige Aussenkommando, maar boven hem stonden nog tenminste twee Duitse chefs aan wie hij zelf weer moest gehoorzamen. De verdediging betoogde dat de opdrachten tot represaille-executies steeds afkomstig waren geweest van die superieuren. Albrecht zelf zou dus niets anders hebben gedaan dan het uitvoeren van opdrachten. Zelf zag hij zich dan ook niet als een oorlogsmisdadiger en beklaagde hij zich over het "overwinnaarsrecht" waaraan hij was overgeleverd. De Bijzondere Raad van Cassatie liet zich niet overtuigen en bevestigde op 1 december 1951 de doodstraf, met eenparigheid van stemmen.
Dan was er de zaak Pieters. Hij had weliswaar gevangenen zwaar mishandeld - dat gaf hij ruiterlijk toe - maar de ergste martelingen bleken niet door hemzelf maar door zijn ondergeschikten te zijn verricht. Hoeveel had hij daarvan kunnen, en moeten weten? Ook zijn betrokkenheid bij de moord op acht gevangenen in Brummen was lastig te bewijzen, aangezien een Duitse SD'er al was veroordeeld als hoofdschuldige van dat misdrijf. De Bijzondere Raad van Cassatie was niet tevreden met de procesgang en vernietigde het vonnis. Pieters kreeg een nieuw proces, dit keer in Haarlem. Daar werd zijn doodstraf omgezet in levenslang.
Op zijn beurt ging vervolgens de openbaar aanklager in beroep bij de Bijzondere Raad van Cassatie. Opnieuw hield de advocaat van Pieters, mr Van Dal, een gloedvol betoog. Uit zijn pleitnotitie van 28 maart 1951: "In en rond een oorlog zijn mensenlevens niet duur, er wordt veel en snel gestorven in een oorlog. Maar in vredestijd heeft het mensenleven zo niet een hogere, dan toch een andere waarde en betekenis. En men kan niet - wil men zijn Recht het aspect der menselijkheid niet ontzeggen - iemand zes jaren lang laten leven op de smalle en kantige rand, die de tijd van de oneindigheid scheidt, en hem dan tenslotte - op een willekeurig ogenblik, dat ons past - in de onpeilbare afgrond dier oneindigheid stoten."
Dit keer was de Bijzondere Raad van Cassatie niet unaniem. Van de zeven leden waren er vijf voor de doodstraf en twee voor levenslang. In november 1951 viel de opmerkelijke beslissing: het werd alsnog de doodstraf. Binnen twee jaar ging Pieters van doodstraf naar levenslang en weer terug naar de doodstraf.
DE DRIE VAN BREDA
De vrijlating van de drie Duitse oorlogsmisdadigers Josef Kotälla, Franz Fischer en Ferdinand aus der Fünten, die nog gevangen zaten in Nederland, heeft de gemoederen vanaf hun berechting eind jaren veertig tot de vrijlating van de laatste twee in 1989 altijd zeer beziggehouden.
In 1972 waren er protesten tijdens onder meer de jaarlijkse Februaristaking, omdat die een dag na een speciale hoorzitting was. Volgens het Polygoon Hollands Nieuws was er ‘emotioneel rumoer op de publieke tribune en werd de vergadering geschorst’. Een dag later liep de herdenking bij de Dokwerker uit op een betoging tegen de vrijlating.
Op 29 februari kwamen betogers bijeen op het Binnenhof. In de Tweede Kamer werd die dag gedebatteerd over een motie tegen het plan van minister Van Agt om de drie vrij te laten. Na een zitting van dertien uur werd op 1 maart gestemd over de motie. 85 Kamerleden stemden hiervoor en 61 tegen. Om 3.00 uur ’s nachts werd de vergadering gesloten.
In 2005 promoveerde Hinke Piersma op ‘De drie van Breda, Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap, 1945-1989'. In OVT werd hij geïnterviewd door Jos Palm.