Zwakzinnigen leefden altijd tussen de mensen leert de geschiedenis Twente zet Hendrik Haverkamp weer in tehuis
Ooit bezong Ben Jolink met Normaal Hendrik Haverkamp, de aandoenlijke dorpsidioot die ‘gewoon’ tussen zijn dorpelingen leefde. De ‘maffe Hendrik met de pette op één oor’ was zogezegd helemaal geïntegreerd. Misschien was hij wel de modelzwakzinnige voor die tallozen geestelijk gehandicapten die in woonblokken midden tussen de mensen wonen, en daar ook niet helemaal gelukkig zijn. Want deze week werd bekend dat in Twente, de Twentse Zorgcentra (TZC) de helft van 180 pupillen uit de woonhuizen haalt en terugbrengt naar de inrichting. Op hun eigen verzoek, volgens de Twentse zorginstelling.
Zwakzinnigen leefden altijd tussen de mensen leert de geschiedenis
Wellicht is het een gedenkwaardig moment, een cesuur of op zijn minst een trendbreuk. Want integratie is uitgangspunt van de geestelijke gehandicaptenzorg, vanaf het moment dat in de jaren zeventig Carel -- Dennendal -- Muller verklaarde dat de samenleving zoveel kan leren van zwakzinnigen.
Welbeschouwd is er sinds de late middeleeuwen sprake van een soort dubbele houding tegenover ‘de zotskop’ of de ‘geboren idioot’, zoals de geestelijk gehandicapte toen genoemd werd. Hij was, schrijft psychologe en historisch onderzoeker Inge Mans, schrijfster van het standaardwerk ‘Zin der zotheid’ als het ware vriend en vijand tegelijk. De zwakzinnige was de ‘voorbeeldige ander’, ‘de geboren nar die God het meest nabij stond’, schreef de 16e-eeuwse geleerde Paracelsus. Maar hij was evenzeer ‘de afschrikwekkende ander’ meende Luther, ‘een duivelskind’, in de woorden van de vader van de reformatie. Deze al dan niet geïdealiseerde zwakzinnige leefde vanaf de late middeleeuwen tot in de negentiende eeuw tussen de mensen. Want in deze in beelden en voorbeelden denkende en handelende vroegmoderne samenleving had de ‘gek’ gewoon nog een functie.
Pas in de negentiende eeuw wordt gekte een medisch fenomeen, en wordt er onderscheid gemaakt tussen krankzinnigen als zieken en krankzinnigen als zwakken van geest. Deze laatste groep ongeneeslijk zieken concludeert bijvoorbeeld dominee Van Koetsveld verdient allereerst medelijden en compassie. Rond 1850 besluit van Koetsveld een ‘menschenvriend’ te worden voor ‘de idioot die soms niet meer leek dan ‘een kruipende vleeschklomp’, en de dominee richt Nederlands eerste ‘idioteninternaat’ op.
Sindsdien werd een groot deel van de geestelijk gehandicapten ondergebracht in gestichten, inrichtingen, en tehuizen, zoals de medische verzorgingshuizen voor geestelijk gehandicapten tegenwoordig heten. Vanaf de jaren zestig werd er weer op een eigentijdse wijze aangesloten bij de oude traditie dat de zwakzinnige ‘tussen de mensen’ hoort. Woonhuizen, waar geestelijk gehandicapten onder begeleiding wonen, sieren sindsdien menige straat in stad of dorp. Integratie is tot op heden het paradigma van de geestelijke gezondheidszorg. Hendrik Haverkamp moet en zal in het dorp blijven wonen. In Twente, op nog geen vijftig kilometer van het geboortehuis van Haverkamp, wordt nu voor het eerst in het openbaar getwijfeld aan het nut van dat beleid.
