Main Content

De CU-factor in de Nederlandse politiek Historisch overzicht van de Christenunie

  • 23 februari 2007
andre rouvoet
Zoom
andre rouvoet

Er is enige bezorgdheid over het wellicht extreem christelijke karakter van de kleinste coalitiepartner van het nieuwe kabinet. Maar hoe fundamentalistisch waren de voorlopers van de Christen Unie nou eigenlijk? Een kort historisch overzicht.

De CU-factor in de Nederlandse politiek

Na jaren kabinetten met een vrijzinnige liberalistisch bijwagen, is er nu een kabinet met een klein christelijk randje. Het is een ontwikkeling die wonderwel lijkt te passen in de hang naar de waarden en normen uit de jaren vijftig, die heel de samenleving kleurt. Toch baart de toetreding van de Christen Unie (CU) tot het kabinet hier en daar ook zorgen. In de aanloop naar de formatie waren er al gebedsbijeenkomsten waar de aanwezigen God smeekten het regeerakkoord een beetje in de richting van de Christen Unie om te buigen, waar het zaken als abortus en euthanasie betrof. Dergelijke evenementen, ogenschijnlijk stammend uit een verzuild tijdvak waar God en politiek nog samen optrokken, voeden de angst dat een behoudend christendom de bijbel weer tot richtsnoer wil maken van de samenleving. Ook de vrijheid die ambtenaren straks krijgen van de regering om al dan niet homo's te huwen, lijkt in die richting te wijzen en vergroot de bezorgdheid van burgers die hechten aan een meer liberale inrichting van de maatschappij.
De vraag is of die angst gerechtvaardigd is, want al komt de CU voort uit behoudende christelijke partijen, fundamentalisme en doordrijverij lijken haar vreemd. De voorlopers van de CU streefden niet zozeer Gods rijk op aarde na, veeleer wilden ze de in hun ogen wat al te frivole en normvervagende moderniteit waar mogelijk afremmen.
De Christen Unie ontstond in 2001 uit een fusie van twee christelijke partijen die al sinds 1989 op bestuurlijk niveau samenwerkten. De oudste van de twee was het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV), opgericht in 1948 omdat de traditionele partij van het gereformeerde volksdeel, de Anti Revolutionaire Partij (ARP) het geloof der vaderen zou uitdragen op een wijze die zou afwijken van de Schrift en de Belijdenis. De jongere Reformatorische Politieke Federatie (RPF) kwam tot stand in 1975, in reactie op het opgaan van de ARP in het CDA, een grote confessionele familiepartij, die twee onoverkomelijke nadelen had voor de reformatorischen. De partij herbergde progressieve christenen en -- erger nog -- katholieken, de soort bijgelovige gelovigen waarmee de vaders der Reformatie in de zestiende eeuw toch niet voor niets hadden gebroken.
Ondanks alle voor niet ingewijden onbegrijpelijke religieuze verschillen kenmerkten beide partijen zich door een zekere aandoenlijke wereldvreemheid in een snel moderniserend Nederland. Piet Jongeling, de eerste fractievoorzitter van het GPV, waarschuwde als hoofdredacteur van het 'Gereformeerde Gezinsblad' (het tegenwoordige 'Nederlands Dagblad') al tegen de Amerikaanse cultuur. Amerika was in zijn beleving de duivel op kousenvoeten, een land dat een spoor van zedenbederf achterliet in Europa en dus ook in Nederland. Jongeling was, schreef de historicus Van Deursen 'een man die met de bijbel leefde'. Zijn reformatorische evenknie Meindert Leerling droeg als evangelische, eo-achtige christen de nadelen van de moderne wereld op een blijere wijze. Hoewel ook zijn partij, net als het GPV al het mogelijke deed om regelingen voor abortus, euthanasie en het homohuwelijk tegen te gaan. André Rouvoet, een van de twee huidige vice-premiers en minister van gezin en jeugd, stamt uit de kringen van de RPF, waar hij ondermeer directeur was van het Wetenschappelijke Instituut van de partij.
De twee christelijke partijen, ontstaan als afscheidingen van een grotere christelijke moederpartij, hebben het imago van sektarisme nooit werkelijk weten te vermijden. De fusie van de twee op 13 maart 2001 kwam mede tot stand om dat beeld af te werpen.