Main Content

Zomerserie OVT Boeken die de wereld veranderden

  • 5 juli 2007
De oorsprong der soorten
Zoom
De oorsprong der soorten

Zondag start in OVT de 8-delige serie "In den beginne was het Woord". Wekelijks komt in deze serie een boek aan bod dat een kleine of grote revolutie teweeg bracht. Vaste gast is historicus Wim Berkelaar, verder zijn er wisselende gasten. Vaste columnist is boekenkenner en essayist Kees Fens, die steeds een boek zal bespreken van zijn keuze, dat niet alleen de wereld maar ook hemzelf raakte. Medesamensteller Jos Palm legt uit:

Zomerserie OVT

Het is niet meer dan het ambtenarenproza van de genealoog, de taal waarmee het meest revolutionaire boek uit de wereldgeschiedenis opent. ‘Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham’. Zo -en niet anders- begint het evangelie volgens Mattheüs, het eerste heilsverhaal uit het Nieuwe Testament, het boek dat de doodsteek toebracht aan de Romeins-heidense cultuur. Vervolgens zet de auteur keurig de familiale feiten op een rij: ‘Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders, Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar.’ En zo gaat Mattheüs verder en voort, totdat hij, na het opsommen van drie maal veertien geslachten, de Engel des Heren in een droom laat verschijnen aan Jozef, om de geboorte van de Verlosser aan te kondigen.

Voor een boek dat de wereld zou veranderen, is het niet echt een lekker begin. Voor de lezer die op zoek is naar het extra wat maakt dat een boek het ‘doet’, is het zelfs zeer teleurstellend. Want twee-en-veertig geslachten lang wachten op de hoofdpersoon die de vertelling vaart geeft, is wel wat veel gevraagd (die genealogische overdaad was overigens in overeenstemming met de religieus-literaire regelgeving; de familiegeschiedenis ‘bewees’ dat de hoofdrolspeler de Messias was). De lezer bladert derhalve verder in het Nieuwe Testament en stuit op Johannes. En zie: de vierde evangelist -- de meeste avant-gardistische van allen -- wist kennelijk, zonder schrijfcursus of pr-assistentie, hoe het moest: een boek de wereld in smijten. ‘In den beginne was het Woord’. Zo begint hij zijn verhaal: pakkend, nieuwsgierig makend, en een belofte inhoudend.

En zo moet het ook als het even kan. Een boek dat ‘het’ doet, moet bij voorkeur meteen ‘staan’, zoals dat in uitgeversland schijnt te heten. ‘Alles is goed wanneer het komt uit de handen van de Maker der dingen, alles ontaardt in de handen van de mens’, luidt de eerste verpletterende regel van Rousseaus Emile (1762), dat de opvattingen over de opvoeding op zijn kop zet, en dat de mens als ‘onbeschreven blad’ een tweede kans geeft, na eeuwen van godsdienstig en andersoortig cultureel bederf (het boek werd ook niet toevallig bij uitkomen meteen verboden). Een zin die niet minder indrukwekkend was, bleek de ronduit schokkende en welbekende openingsregel uit het Communistisch Manifest. ‘Een spook waart door Europa -- het spook van het communisme’, schreven Marx en Engels in 1848. Vijftig jaar later was hun geestverschijning harde realiteit, zowel op straat als in de parlementen.

Soms echter zit het venijn dieper in een boek verborgen. Mein Kampf bijvoorbeeld opent ogenschijnlijk onschuldig met een zinnetje over het gelukkige lot dat de hoofdpersoon trof om geboren te worden in Braunau am Inn, een gat op de grens van het toenmalige Habsburgse rijk en Duitsland. Pas verderop in het boek wordt duidelijk dat de hoofdpersoon in die geboorte een opdracht ziet: Braunau blijkt zijn Bethlehem, zijn afgelegen niemendaldorp dat zijn legende moet helpen creëren, omdat hij nu eenmaal ook een Messias is volgens hemzelf, zij het dan van het Herrenvolk. En wat te denken van de volgende zin als het gaat om openingen die nog niets verraden: ‘Laat op een kille februarimiddag zaten twee heren met een glas brandewijn in een rijk gemeubileerde eetkamer in de stad P. in Kentucky.’ Eenvoudig en beschrijvend begint aldus het boek van de vrouw die door Abraham Lincoln in 1862 werd omschreven als ‘de kleine dame die met haar boek deze grote oorlog heeft veroorzaakt.’ De Amerikaanse president had het vanzelfsprekend over Harriet Beecher Stowe, die met De hut van Oom Tom, de Amerikaanse burgeroorlog ontketend zou hebben.

Werken die met de deur in huis vallen, maar evenzo bescheiden openende boeken kunnen de wereld in brand zetten. De boekgeschiedenis leert dat er geen peil op is te trekken. Of een boek ‘het’ doet, hangt uiteindelijk niet af van een treffende openingszin. Maar waarvan dan wel? Het komt erop aan dat zo’n boek het verschil maakt, schreef Robert Pirsig, schrijver van Zen en de kunst van het motoronderhoud in een zeer leerzame terugblik op het succes van zijn bestseller, tien jaar na verschijning.

‘Een cultuurdragend boek’, aldus Pirsig, ‘draagt de cultuur op zijn rug, als een muildier.’ Zo’n boek doet eigenlijk iets heel bijzonders: het verwoordt de waarden van de cultuur, vaak precies op het moment ‘dat de cultuur veranderingen ondergaat in de richting die zo’n boek aangeeft’. Het laat zich raden, dat Pirsig oordeelde dat zijn boek aan zijn achteraf gestelde criteria voldeed. Het verscheen op een tijdstip (1968) dat er weerstand ontstond tegen materieel succes, dat de Amerikaanse droom -- het oeroude, bijna kolonistenstreven naar veilige welvaart -- werd weggeblowd, weggegiecheld en weggedemonstreerd door de verwende nakomelingen van generaties hardwerkende Amerikanen. Niet gehinderd door valse bescheidenheid schrijft Pirsig: ‘De hele cultuur was toevallig op zoek naar precies datgene wat dit boek te bieden heeft.’

Het mag zo zijn. Maar belangrijker dan een scholastieke twist over de plaats van Zen in de erehemel van boeken die ‘het’ hadden, is de vraag naar de juistheid van de definitie van de schrijver over wat een cultuurdragend boek is. Het is, zo blijkt uit zijn omschrijving, altijd ook een boek dat de verandering bestendigt die in de lucht hangt. En het nieuwe neemt daarbij in de persoon en de papieren schepping van de auteur het oude op zijn rug, als een muildier, als een kruising dus tussen ezel en paard.

De auteur en zijn ene werk, kortom, als een koppige pain in the ass en als een sprinter, zowel onvermoeibaar en onverzettelijk als snel en razend. Het is een mooi beeld dat Pirsig schetst, en een bruikbaar beeld. Want schrijvers die de wereld in beweging brengen, moeten zowel paard als ezel zijn: met de poten in de aarde en over de aarde ‘vliegend’ tegelijk. Vasthoudendheid en taaiheid had Beecher Stowe nodig om Uncle Tom te schrijven, en tegelijkertijd woede en een briesend temperament. En kan hetzelfde niet gezegd van Karl Marx en zijn Manifest, van Rousseau en zijn Emile, en van Hitler en zijn Mein Kampf?

En hoe zit het ondertussen met de openingszinnen? Er zijn er die de lezer meteen veroveren. ‘Ik werd geboren aan de vooravond van de tweede wereldoorlog. Die nacht mistte het’, schrijft Jan Cremer op de allereerste pagina van Ik Jan Cremer. In die ene zin is alle avontuurlijke ellende die komen gaat al te vinden. Vaak blijkt de eerste zin een leesopdracht. Dat was zo bij Mattheüs, die zijn wonderverhaal een degelijk genealogisch fundament gaf, zodat de lezer begreep dat hij met de enige en echte Verlosser te maken had. Soortgelijks was ook het geval bij een boekje dat in liefde voor formaliteit in de eerste zin niet onderdoet voor dat van de evangelist. ‘De fundamentele kracht die onze zaak leidt is de Chinese Communistische Partij’, staat op pagina één van de Citaten van Voorzitter Mao Tse-Toeng, dat als het Rode Boekje het leven van een-achtste deel van de mensheid voorgoed zou veranderen.

‘Alle dingen zijn door het Woord geworden, en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is’ -- Johannes schreef het al.