De veldslag van 1747 Klootschieten is een gevaarlijke sport

- Zoom
- Nu is klootschieten opvallend minder gevaarlijk
In 1944 schreef D.J. van der Ven het boek ‘De herleving van het Nederlandsche Volksspel’. Hierin staat een smakelijk verhaal over een volkomen ontaarde wedstrijd uit 1747 tussen Ootmarsum en Oldenzaal.
De veldslag van 1747
JURRYT VAN DE VOOREN
‘Wat klootschieten is?’ opent Van der Ven. ‘Wel, eenvoudig gezegd het werpen met een kloot, een houten soms met looden “pillen” opgevulde bol of kogel. Wie het verst werpt, wordt overwinnaar.’
Vroeger was het een nationale bezigheid, maar nu is het vooral een Twents gebeuren. Maar wel één vol gevaren, want gedurende het spel was het ‘een felle kamp met allerlei tartende uitdagingen, diepe vernederingen en wijdschallend triumf-geschreeuw’.
Nabijgelegen dorpen of steden daagden elkaar uit om oud, nieuw en toekomstig zeer uit te vechten door middel van de kloot. Zoals Van der Ven meldde: ‘De voorwaarden der uitdaging wordt steeds gehouden in een brallenden en zwetserigen vorm.’ Als in deze turbulente geschiedenis een wedstrijd bekend werd als De Klootschietersveldslag moet het wel héél erg zijn geweest.
Op 17 januari 1747 betraden de klootschieters van Ootmarsum en Oldenzaal het strijdperk met als inzet de plaatselijke eer én tachtig dukaten. Over de wedstrijd zelf weten we niet zo veel meer, maar wél wat er gebeurde toen Ootmarsum als winnaar eindigde – iets waar de tegenstander in een vlaag van zelfoverschatting geen enkele rekening mee had gehouden.
Niemand uit Oldenzaal bleek ook maar ene dukaat op zak te hebben – laat staan tachtig - en dat pikten de winnaars niet. ‘Het gevolg was natuurlijk,’ vertelde Van der Ven, ‘dat het speelveld in een slagveld herschapen werd. De klooten suisden door de lucht, de stokken daalden in razend tempo neer op de ruggen der “deelnemers” tot ze in stukken braken.’ Of het nou de stokken of de ruggen waren, die braken, wordt helaas niet duidelijk uitgelegd.
In ieder geval ging ook in deze ontmoeting Oldenzaal hopeloos ten onder. Het onderging zelfs de ultieme vernedering van het verliezen van zijn vlag, ‘een schoone zwenkvaan van donkerroode zijde’.
De mannen van Ootmarsum keerden huiswaarts en werden met gejuich verwelkomd door hun vrouwen en dochters. De zwenkvaan werd een eretrofee in het huis van burgemeester Cramer en bij elke feestelijke gelegenheid door de stad gedragen. Tot verdriet van Oldenzaal natuurlijk, dat op deze manier jaarlijks werd herinnerd aan die vervelende dag.
In 1894 bood Oldenzaal daarom ƒ200,- om de vlag terug te krijgen, maar dit aanbod werd hooghartig afgeslagen. In 1930 was de vlag zelfs plots verdwenen! Deze dook opeens op in het Rijksmuseum in Enschede, maar dat pikte Ootmarsum natuurlijk niet. Terug met die schoone zwenkvaan van donkerroode zijde en wel meteen.
Nog steeds zou de vaandel – beter gezegd: de resten daarvan – in het stadhuis van de oude tegenstander hangen. Het is daarmee de belangrijkste plattelandstrofee van Nederland geworden. Oldenzaal zal voor altijd moeten toestaan dat ze in 1747 een wedstrijd hebben verloren.