Debat over politiek speledingetje Museumdeskundigen oneens over Nationaal Historisch Museum
Museumprofessionals kunnen het niet eens worden over hoe een te realiseren Nationaal Historisch Museum eruit moet zien. Ze weten eigenlijk al niet eens óf het wel belangrijk is dat er één komt. Ook reisjes naar Duitsland en België hielpen de deskundigen weinig verder.
Debat over politiek speledingetje
Door Han Ceelen
Gespreksleider Hans Maarten van den Brink wordt even van zijn stuk gebracht. Een museummedewerker uit de zaal: ‘Ik begrijp niet dat u deze vraag stelt terwijl we hier een paar weken geleden al uitgebreid over hebben gesproken op een bijeenkomst waarvan u ook voorzitter was.’ Het moge duidelijk zijn: net als in de kranten wordt ook in het vaderlandse museumwereldje heel wat afgepraat over het nog op te richten Nationaal Historisch Museum (NHM).
Vorige maand kwamen in het Amsterdamse Felix Meritis zo’n honderdvijftig museumprofessionals (deelnemende instellingen varieerden van het Rijksmuseum tot het Nederlands Tegelmuseum in Otterlo en het Freulekeshuus in Venray) bijeen om onder leiding van Stimuleringsfonds-directeur Van den Brink te luisteren naar een ‘internationaal perspectief’ op de zaak.
Waar de discussie in de media zich de laatste weken concentreerde rond de vraag welke stad minister Plasterk deze maand zou moeten aanwijzen als vestigingsplaats van het museum (Den Haag, Arnhem, Nijmegen, of toch gewoon Amsterdam?), wordt in het hoofdstedelijke debatcentrum gekozen voor een wat filosofischer invalshoek. Want, vraagt inleider George Lawson van de Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) zich af: Zou het niet eerst moeten gaan over de vraag of er überhaupt zo’n museum moet komen? Wat er zou moeten worden getoond? Of dat ook (deels) virtueel kan? En wat we wat dit betreft kunnen leren van gelijksoortige musea in de landen om ons heen?
Om antwoord te krijgen op die laatste vraag maakten zo’n tachtig Nederlandse historici en journalisten twee jaar geleden al een uitstapje naar het alom geprezen ‘Haus der Geschichte’ in Bonn, dat vanaf 1994 jaarlijks vijf miljoen bezoekers trekt met een permanente tentoonstelling over de naoorlogse geschiedenis van West- en Oost-Duitsland. Jan Marijnissen, de grote aanjager achter het NHM, presenteerde bij die gelegenheid ook zijn boekje ‘Waar de geschiedenis huis houdt’.
Dit keer was echter besloten om Simone Mergen, hoofd educatie van het Haus der Geschichte, naar Amsterdam te halen om nog eens haar verhaal te doen. Samen met Jorge Wagensberg van museum CosmoCaixa in Barcelona en An Lavens en Petra Gunst van museum BELvue in Brussel ging ze in gesprek met Wim van der Weiden, schrijver van het plan voor het NHM, cultuurconsulent Han Bakker en Peter Sigmond, directeur collecties van het Rijksmuseum.
Leidde deze kruising van Europese en Nederlandse degens ook tot belangwekkende nieuwe inzichten? Mwah, niet echt, of het moest het geruststellende gevoel zijn dat Nederland niet het enige land is dat worstelt met de vraag wat zijn ‘nationale identiteit’ nu precies is, en in hoeverre een nationaal historisch museum een politieke doelstelling mag of moet hebben.
Ook in Duitsland werd over deze thema’s begin jaren ’90 uitvoerig gedebatteerd, vertelt Mergen. Met name de linkse partijen waren bang dat het geesteskindje van initiatiefnemer Helmut Kohl een te nationalistisch karakter zou krijgen. Maar die vrees is volgens Mergen onterecht gebleken. Het Haus der Geschichte heeft een politieke agenda, erkent ze: het versterken van de Duitse identiteit. Maar binnen die opdracht opereert haar werkgever volledig onafhankelijk van de Duitse overheid.
In België is zelfs helemaal afgezien van welke poging tot nationbuilding dan ook. In het bescheiden museum in Brussel zul je niemand horen over ‘gemeenschappelijke wortels en waarden’ of ‘de grondtoon van ons volkskarakter’, zoals CDA-minister Maxime Verhagen, in wie Marijnissen een opmerkelijke bondgenoot vond.
‘Het enige wat wij proberen te doen is inzicht te geven in de diversiteit en de complexiteit van België,’ zegt Lavens. ‘We proberen het verhaal te vertellen zoals het is, zonder politieke boodschap.’ Ook de Spanjaard Wagensberg, die makkelijk praten heeft omdat hij zelf een wetenschapsmuseum bestiert, vindt niet dat musea in dienst moeten staan van een politiek idee: ‘Musea moeten geen vragen beantwoorden, maar juist vragen oproepen.’
De laatste twee sprekers kunnen op bijval rekenen van Van der Weiden, voormalig directeur van museum Naturalis en tevens geestelijk vader van de stichting Anno, die met veel overheidsgeld geschiedenis op een populaire manier onder de aandacht poogt te brengen van een groot publiek. Het NHM is immers niet bedoeld voor de culturele elite, betoogt hij, maar voor de zestig procent van de Nederlanders die nooit naar een museum gaan, onder wie veel allochtonen. Mensen die volgens Van der Weiden, ‘chatten op internet en alleen commerciële tv kijken’. Die moet je dus niet gaan lastigvallen met een al te ingewikkelde boodschap. Bovendien: ‘Als het opdringerig wordt, willen allochtonen het niet. Dus hoe minder politiek, hoe beter.’
HERHALINGEN
De rest van de bijeenkomst is een herhaling van eerder in de pers gedane zetten, waarbij vooral de tegenstanders van het museum zich roeren. In navolging van Henk van Os, die zich een paar dagen eerder in de Rode Hoed ook al tegen het NHM had uitgesproken, mag Peter Sigmond nog eens uitleggen dat het Rijksmuseum ook prima als nationaal historisch museum zou kunnen fungeren. Vroeger had het museum die functie immers ook, en na de heropening in 2009 wilde men zich toch al gaan presenteren met een samenhangende collectie geschiedkundige objecten en kunst.
Cultuurconsulent Han Bakker verdedigt de eveneens veelgehoorde opvatting dat er geen nieuw museum nodig is omdat er in Nederland al genoeg musea en plekken zijn die samen een nationaal historisch museum vormen. Past zulks niet veel beter bij een land waar de wording van staat, natie en religie op drie verschillende plekken heeft plaatsgevonden? En kun je in plaats van in een peperdure nieuwe locatie niet beter investeren in het toegankelijk maken van herinneringsplekken, zoals nu al in Groningen, Utrecht en Dordrecht gebeurt? Zeker als je de door Van der Weiden geschetste groep wilt bereiken, zegt Bakker, werkt een lokale aanpak veel beter. ‘In Dordrecht besteden we bijvoorbeeld aandacht aan de komst van de eerste Turkse gastarbeiders naar de stad. Zo kan de Turkse bevolking iets leren over haar eigen geschiedenis.’
Ook het idee voor een virtueel museum komt nog aan de orde. Want als je jongeren wilt bereiken, kun je dat misschien beter doen met leuke filmpjes dan met stoffige voorwerpen. Maar de optie van een volledig virtueel museum wordt in meerderheid verworpen. Net als het voorstel om de historische canon als richtsnoer te nemen bij de inrichting van een museum.
Dat wordt dus nog een lastige kluif voor minister Plasterk, lijkt de conclusie van de middag te worden. Of misschien toch niet, want Van den Brink heeft nog een mooie afsluitende vraag in petto voor de buitenlandse gasten: ‘Als er in jullie land was geluisterd naar de museumprofessionals, was jullie museum er dan geweest?’ Het antwoord luidt unaniem ontkennend.
