‘Hup. Hup. Húp!’ Simon Carmiggelt, droevige clown
De meester van de mildironische typering is alweer bijna twintig jaar dood. Dankzij /Geschiedenis TV kunnen we weer genieten van Simon Carmiggelt en zijn geestige melancholieke voltreffers.
‘Hup. Hup. Húp!’
Door Dirk-Jan Arensman
Hij maakte de vergelijking zelf aan het eind van een gesprek waarin Koos Postema maar heel af en toe een vraag hoefde te stellen, terwijl de schrijver ontspannen de ene anekdote na de andere uit zijn mouw liet kronkelen. Als hij nadacht over zijn werk, vertelde hij, moest hij vaak denken aan een clown. Eentje van Italiaanse afkomst, die zich Roem noemde.
Roem deelde zijn act met een klassieke, roodbeneusde circusclown die uiteraard de naam Pipo droeg. En terwijl de laatste naast hem een eindeloos, quasi-gewichtig betoog afstand, stond Roem - somber, nauwelijks geschminkt gezicht - met een kindertennisracket in zijn hand, waaraan een balletje aan een touwtje hing. Zo nu en dan maakte hij een polsbeweging en probeerde het balletje op zijn racket te laten landen.
De eerste keer ging het balletje ernaast, en sprak Roem droevig: ‘Hup.’
Ook de tweede poging mislukte, gevolgd door dezelfde verslagen brom.
Maar bij de derde keer slaagde de missie en riep hij stralend en een octaaf hoger uit: ‘Húp!’
Met zijn dagelijkse stukjes in de krant was het eigenlijk net zo, zei Simon Carmiggelt. Vele malen per week mompelde hij teleurgesteld ‘Hup’, om misschien één keer triomfantelijk ‘Húp!’ te kunnen roepen.
Het interview in VARA’s Een groot uur U werd in 1978 opgenomen ter gelegenheid van de vijfenzestigste verjaardag van de gevierde schepper van de Kronkel, het door hem jarenlang opgetekende glimlachbluesje in het mooiste hoekje van Het Parool. En nu /geschiedenis.tv het deze week, in aanloop naar alweer zijn twintigste sterfdag op 30 november aanstaande, opnieuw uitzendt, kunnen we weer volop genieten van zijn geestigste en meest melancholieke voltreffers. Op die digitale zender en elders.
In het ‘Carmiggelt-blok’ op /Geschiedenis.tv komen naast die fraaie onderbroken verjaardagsmonoloog over ondermeer zijn tijd als jongste verslaggever, zijn verborgen engagement, Tucholsky en het werken voor cabaretgrootheden als Wim Sonneveld en Wim Kan uiteraard afleveringen voorbij van Carmiggelt: Simon Carmiggelt leest voor uit eigen werk - zijn literaire dagsluiting bij de VARA, met de onvergetelijke herkenningstune In a sentimental mood van Duke Ellington - en Een man van de dag, waarin Kees Brusse, ingeleid door de auteur, verweerde Kronkel-mannetjes tot leven speelde. En bij uitgeverij De Arbeiderspers verscheen vorige week nog Ik lieg de waarheid, een verzameling van ‘de beste kronkels’ samengesteld en ingeleid door Volkskrant-columniste Sylvia Witteman.
In die 230 pagina’s vind je verschillende van zijn onverwoestbare evergreens. Kroketten bijvoorbeeld, de klaagzang van die sjofele buffetpachter die, op het podium vertolkt door Sonneveld, rillend herinneringen ophaalt aan het consumptiefiasco van een medische lezing-met-lichtbeelden, en die ook op papier nog steeds overeind blijft. Of die vader die in ‘Twintig’ bij de haringkar met smakelijke walging vertelt over een van de vriendjes van zijn dochter (‘Harry - ik droom niet wel eens van hem als ik zwaar heb getafeld.’).
Het zijn scènes en oneliners die in het collectieve geheugen zijn binnengesijpeld als die barklant, ‘zich nathoudend als een belendend pand’.
Maar of je nou bladert in die bundel, kijkt naar de selectie op je digitale televisie of nog eens die onvolprezen cd/dvd-uitgave van het Theater Instituut Nederland Ongehoord: Simon Carmiggelt tevoorschijn haalt, je komt ze telkens weer tegen.
Op de meest onverwachte plekken.
Als hij schrijft over de uitgebluste levens van de stamgasten in een Peter van Straatenkroeg of een kind dat in één klap haar geloof in Sinterklaas én de ooievaar wordt ontnomen (maar niet in God). Als hij je laat lachen om subtiele motregenslapstick of ineens diep ontroert met een oorlogsverhaal.
Overal kun je op van die volmaakte, mildironische typeringen stuiten die een passant in twee regels de diepte van een romanpersonage geven. Of op z’n minst van een figuur in een érg geslaagde cartoon. ‘Zijn echtgenote, die wij op een moeilijk levenstijdstip aantroffen, dwarrelde gastvrouwelijk rond en sloeg fonteinen van geestdrift uit een rots van wanhoop.’ ‘Adelina heeft ongetwijfeld veel te veel broertjes en zusjes, verwekt door haar kleine, viriele, met zijn gore trui vergroeide vader, die knoestig werk verricht en zo nu en dan staakt zonder dat het helpt.’
Het zijn zinnen waar je een opgewekt ‘Húp!’ niet bij kunt onderdrukken. En dan zie je dat geplooide clownsgezicht van de schrijver er vanzelf bij.
