Weinig woorden voor de Joden Oorlogstoespraken Wilhelmina on-line
‘Zij is de enige vent in het Nederlandse kabinet’ zei Churchill over Wilhelmina. Haar radio-toespraken zijn nu integraal on-line te beluisteren via de site van het NIOD. Bovendien zijn haar voordrachten geanalyseerd door communicatiewetenschapper Jord Schaap, die onlangs het boek ‘Het recht om te waarschuwen’ publiceerde, over de toespraken van de oorlogskoningin. Opvallend gegeven: haar grotendeels stilzwijgen over de jodenvervolging.
Weinig woorden voor de Joden
Tik op de thematische zoeksleutel bij de site het woord joden in, en je krijgt één vermelding, tik het woord ‘verzet’ in en je treft talloze verwijzingen. De toespraken die koningin Wilhelmina vanaf 28 juli 1940 tot 1945 hield voor Radio Oranje en De Brandaris (een andere illegale radio-zender) bevestigen het beeld van een klein en dapper volk dat vecht met de Bezetter.
Haar voordrachten waren ook allereerst bedoeld ter ondersteuning van de strijd waartoe zij ‘mijn volk’ opriep. Zo wordt duidelijk uit het boek van Jord Schaap. Aan de jodenvervolging besteedde zij, aldus Schaap relatief weinig woorden. Ze heeft, schrijft de auteur, haar invloed ‘niet zichtbaar aangewend ter ondersteuning of bescherming van haar Joodse onderdanen’. Slechts een enkele keer onderbrak de koningin haar stilzwijgen over de jodenvervolging. Bijvoorbeeld op 17 oktober 1942: ‘Ik deel van harte uw verontwaardiging en smart over het lot onzer Joodse landgenooten’, sprak ze voor Radio Oranje. ‘En met mijn geheele volk voel ik de onmenschelijke behandeling, ja het stelselmatig uitroeien van deze landgenooten, die eeuwen met ons samen woonden in ons gezegend vaderland, als ons persoonlijk aangedaan.’ Ruim een jaar later, op oudejaarsdag 1943, refereert Wilhelmina nog eenmaal aan de jodenvervolging, als ze constateert dat ‘de vernietiging helaas bijna een feit is geworden’.
Over het zwijgen over de jodenvervolging van Wilhelmina is niet zachtzinnig geoordeeld. Een criticus als historica Nanda van der Zee veronderstelde dat het in elk geval voortkwam uit desinteresse en wellicht uit latent anti-semitisme. Die mening deelt Schaap niet, de vorstin was hoe dan ook geen antisemiet, ze was daarentegen al vroeg verontrust over over anti-Joodse sentimenten in Nederland.
Opmerkelijk is verder dat Schaap de conclusie van Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur dat Wilhelmina niet wist van de jodenvervolging van tafel veegt. Die stelling noemt de auteur ‘onhoudbaar’. ‘Stemmen die Wilhelmina inlichtten waren er. Wilhelmina zei alleen niets terug, terwijl zij alle gelegenheid had dat wel te doen’, aldus de auteur. Wel wijst hij erop dat in de ‘Londense werkelijkheid’, waarin de koningin leefde de aanpak van de jodenvervolging niet altijd zo vanzelfsprekend was als het nu lijkt. ‘Men leefde in Londen in zekere zin in een schijnwereld’, aldus Schaap.
‘Het recht om te waarschuwen. Over de Radio Oranjetoespraken van koningin Wilhelmina’, door Jord Schaap, is uitgegeven bij Ambo/Anthos Amsterdam, 320 pag., 1995 (inclusief cd met vier toespraken)
