De verboden interland van 1938 Geen jodenhaters in de Kuip

- Zoom
- Het Duitse elftal in 1937 met de Hitlergroet. Net buiten de foto staat het Nederlands Elftal, de tegenstander. Foto Nationaal Archief
Op 11 december 1938 zou het Nederlands Elftal in de Kuip een interland spelen tegen Duitsland. Precies een maand eerder was in Duitsland de beruchte Kristallnacht, een georganiseerde aanval tegen Joden. Burgemeester Pieter Oud van Rotterdam verbood daarop de wedstrijd – tot woede van de KNVB en de nationaal-socialisten.
De verboden interland van 1938
In 1927 wees Nederland het zogenaamde Belgische Verdrag af - een overeenkomst over een kanaal tussen Antwerpen en de Rijn. De spanningen met de zuiderburen liepen hierdoor zo hoog op dat een onderlinge voetbalwedstrijd werd uitgesteld. Verzet tegen dit verdrag was trouwens ook het politieke begin van Anton Mussert van de NSB. Die partij keert later in het verhaal terug.
Ruim tien jaar later beïnvloedde een volgende politieke gebeurtenis het speelschema van Oranje. Door de Kristalnacht drong in Nederland door hoe serieus de jodenvervolgingen bij de oosterburen waren, vooral omdat de Duitse regering de pogrom had aangemoedigd. Dat die Duitsers een maand later in Nederland zouden voetballen, kon er bij dagblad De Nederlander daarom niet in. 'De Duitse pogrom heeft de openbare mening in ons vaderland zeer sterk getroffen.'
Op 19 november 1938 schreef de krant: 'Een internationale voetbalwedstrijd is in den loop der jaren tot méér dan een partij voetbal uitgegroeid. In het bijzonder in de dictatuur-landen zijn het geworden semi-nationale gebeurtenissen. En daarom ook schijnt ons althans overweging van de vraag of het gewenscht is dezen wedstrijd doorgang te doen vinden, noodzakelijk.'
Het sportieve zou bijzaak worden als voor- en tegenstanders elkaar op de tribunes zouden ontmoeten. 'Het behoeft geen betoog, dat er onder die omstandigheden alle kans is op het ontstaan van onaangenaamheden, waar niemand mede is gebaat.' Burgemeester Oud van Rotterdam vond dat ook en vaardigde een verbod uit.
De KNVB was woedend. Op 19 november had de bond verklaard dóór te willen spelen. KNVB-bestuurder Karel Lotsy, de latere voorzitter, vond zelfs dat de Duitse voetballers sinds de machtsovername van Hitler buitengewoon correct waren. Het beruchte Duitse lied - het Horst Wessellied - was ook geen probleem. Om de Duitsers niet voor het hoofd te stoten moest dat worden gespeeld alsof er niets aan de hand was. Sport en politiek stonden volgens Lotsy los van elkaar.
De zogenaamde Nederlandsche Jongeren Perscommissie zocht hierin een tussenweg. Deze organisatie ging dwars in tegen de toenmalige verzuiling en streed tegen politiek extremisme - zowel links als rechts. Zij schreef aan de KNVB: 'Wij vragen u met den meesten aandrang om de baten van dezen wedstrijd ter beschikking te willen stellen van de comités, die tot doel hebben steun te verleenen aan allen - niet-Joden zoowel als Joden - die zich gedwongen hebben gezien het Derde Rijk om redenen godsdienstigen of staatkundigen aard te ontvluchten.'
Het was niet nodig, want het verbod bleef staan. Dat was zo opmerkelijk dat het zelfs een heftig kamerdebat veroorzaakte. De NSB greep het namelijk aan om te wijzen op het 'joodse gevaar' dat Nederland bedreigde. Dat was exact dezelfde reactie als van het Duitsche Nieuwsbureau: 'Het bureau ziet in het besluit een zwichten voor de onverantwoordelijke Joods-Marxistische elementen, die slechts het eene doel nastreven: de betrekkingen tussen Nederland en Duitschland te benadeelen.' Waarop de Telegraaf schreef: 'Het zijn in Nederland niet alleen Joden en Marxisten, die de vervolging in Duitschland afkeuren.'
De NSB maakte nog meer gehakt van Oud: "De burgemeester van Rotterdam achtte het gewenst om het achterland in het harnas te jagen door een voetbalwedstrijd met Duitsland te verbieden. Het motief: vrees voor relletjes is eenvoudig belachelijk. Er zijn in Rotterdam geen relletjes als de Regering dit niet wil." Dit standpunt werd overgenomen door het Utrechts Dagblad - één van de weinige tegenstanders van het verbod. Toevallig stond het hoofdkantoor van de NSB in Utrecht, wat deze overeenstemming op zijn minst opvallend maakt.
Tot slot was de NSB vooral bang dat de relatie met Hitler zou verslechteren door het verbod. Het antwoord van de andere leden van de Tweede Kamer was simpel: ze joelden de NSB-ers uit en maakten ze uit voor landverraders. De NSB had het echter wel goed gezien, want vlak na het debat werden de sportcontacten tijdelijk opgeschort. In maart 1939, dus al na drie maanden, werd alles teruggebracht naar de oude situatie. Alleen zou er voor de oorlogsjaren geen interland meer worden gespeeld tussen Nederland en Duitsland.