Column over de betekenis van de jaren 70 Vrienden van De Jaren Zeventig
Rudi Boon schreef voor /Geschiedenis een column over de jaren 70, een decennium waar niemand raad mee weet.
Column over de betekenis van de jaren 70
Midden in de oliecrisis van 1973 verscheen Liesbeth den Uyl op televisie in het kader van de campagne Verwarming lager en gordijnen dicht. De echtgenote van de premier had altijd een emmer water in de huiskamer. Als ze theewater opzette, vulde ze de ketel met water uit die emmer. Dat scheelde aardgas.
Nu leert de natuurkunde dat het aldus op temperatuur gebrachte water zijn warmte juist onttrekt aan die van de huiskamer, zodat daar de verwarming weer omhoog moet. Maar energiebesparing was niet het primaire oogmerk van haar mededeling. Het decennium was nog maar nauwelijks uit de startblokken of de karakteristieken sprongen eruit: olie, symboolpolitiek, politieke correctheid. Minister van Economische Zaken Ruud Lubbers schreef zijn collega-ministers: Amice! Wees kritisch op kunstlicht!
De jaren zeventig. Ingeklemd tussen de roerige jaren zestig en de restauratieve jaren tachtig, gelden ze als een periode in de vaderlandse geschiedenis waar niemand raad mee weet. In de ogen van velen is alle moderne ellende toen begonnen. De gedoogcultuur, het oeverloze praatcircus, het doodknuffelen van minderheden met de bijbehorende dat-mag-je-niet-zeggen cultuur, die vreselijke zachte sector en wollige idealen.
Het zou nog tot 2005 duren voordat op die gegroeide consensus een reactie komt. In zijn soort een meesterlijke parodie op dit onfortuinlijke decennium, ware het niet dat de opstellers dodelijk serieus zijn. Er verschijnt, compleet met Comité van Aanbeveling (o.a. Hedy d`Ancona, Anja Meulenbelt), een Manifest voor de Jaren Zeventig. De woordkeus was nog helemaal in tact gebleven. De jaren zeventig werden "in een dubieus daglicht gesteld" en verdienden "herwaardering". Het werd tijd "het zwijgen te doorbreken". Daartoe werd een Digitale Gemeenschap van Vrienden van de Jaren Zeventig opgericht. "Niemand springt voor de jaren zeventig in de bres!"
Voor deze Vrienden waren die jaren, met hun talloze sociale bewegingen gedragen door mondige en betrokken burgers, niets minder dan de bakermat voor een progressief, tolerant en beschaafd Nederland. Het Nederland dus dat nu onder vuur ligt. Daarmee is meteen de politieke urgentie van het manifest verklaard: wie progressief Nederland wil redden moet pal voor de jaren zeventig gaan liggen. Wat niet wil zeggen dat de Vrienden geen oog hebben voor de uitwassen van die jaren: de ideologische haarkloverij, de selectieve verontwaardiging. Maar wat overheerst zijn de verworvenheden.
Veel van mijn vrienden behoren dan ook tot de Vrienden.
Zelf heb ik me geen dag verveeld destijds. Alleen al dat kabinet, een bonte verzameling ego's en vechtersbazen, stijf van de ambitie, stuk voor stuk goed voor onuitputtelijk kabaal, in de Trèveszaal zowel als 's lands vergaderzaal. Het ministerie van Algemene Zaken, toen nog een villa aan het Plein, werd beschreven als een commandobunker in oorlogstijd, waar onze eigen Churchill uit Buitenveldert dag en nacht de strijd aanbond met de tegenkrachten. Die lieten zich dan ook niet onbetuigd; topondernemers vervalsten rustig de olievoorraden of waarschuwden in paginagrote advertenties tegen de rampen van de Vermogensaanwasdeling.
Alles en iedereen was tot op het bot verpolitiekt, ook op huis-, tuin- en keukenniveau. Ik zat als studentvertegenwoordiger ("alle geledingen op alle niveaus") in de "Commissie Eettafels", die de bouw van een nieuwe mensa in Amsterdam voorbereidde. Zonder pardon werden de eisen van het Maagdenhuis (1969) voedsel voor de eettafels. De ligging van de spoelkeuken ten opzichte van de uitschepbalie was een "dictaat", dat moest van tafel wilden wij het ooit nog over de positie van de koffiebar eens worden! En dit was nog maar het begin, wij gaan door met de strijd!
Zo werd alles loopgraaf en barricade tegelijk.
Joop den Uyl heeft in het laatste interview voor zijn dood gezegd dat zijn kabinet eigenlijk te laat kwam: de hervormingsbeweging die in de jaren zestig begon, was al over zijn hoogtepunt heen. De belofte van die revolte die zijn kabinet had moeten zijn, was eindeloos uitgesteld door de tussenliggende rust- en regelmaatkabinetten Zijlstra, de Jong en Biesheuvel. Toen het eenmaal zover was, leek het politieke midden plukrijp voor de antipoliticus Van Agt en de populisme-pionier Hans Wiegel.
Maar zijn grootse tegenstanders trof Den Uyl ter linkerzijde aan. Tegen zulke vijanden was zijn commandobunker nog het minst toegerust. De speelsheid en creativiteit van de jaren zestig waren omgeslagen in ideologische verzuring en karakterologische ontbinding. De krakers, de feministen, de studenten, de communisten en de pacifisten, de maoïsten en de trotskisten, de gereformeerden en de spijtoptanten, de marxistische bevrijdingstheologen en de bisschoppen Gijsen en Simonis, iedereen vocht elkaar de tent uit en streed op leven en dood over de vraag langs welke historisch juiste lijnen Den Uyl voor handlanger van het kapitaal of voor Joop Atoom mocht worden uitgemaakt. Geestverwanten een paar honderd kilometer verderop waren inmiddels tot de stadsguerrilla over gegaan.
Ik zeg wel eens tegen mijn Vrienden van de Jaren Zeventig: we zijn door de gong gered. Als de restauratie van de jaren tachtig er niet abrupt een eind aan had gemaakt, waren we dan niet zelf de nachtmerrie van de geschiedenis geworden?
Extra afbeeldingen
- Zoom
- jaren 70
