Afvalligheid in christendom een vrij jong verschijnsel Julianus was de eerste afvallige

- Zoom
- Julianus Apostata (331-363), een van de eerste afvallige christenen uit de geschiedenis
Ehsan Jami voegde zich deze week bij een historisch gezien bijzondere groep, namelijk, die van afvallige moslims. Het formeel afstand doen van de islam (Ridda) is de moslimwereld een zeldzaamheid. In Nederland ging eerder Ayaan Hirsi Ali hem voor, door zichzelf door het ‘beledigen’ van de profeet buiten de islam te plaatsen. Afvalligheid is in de geschiedenis een relatief jong verschijnsel. Is het bij de moslims nog altijd een taboe, in de christelijke wereld was het afstand nemen van kerk en geloof ook eeuwenlang de kortste weg naar maatschappelijke diskwalificatie. Zo erkende de katholieke kerk pas in 1965 het recht om het geloof te verlaten als een ‘grondrecht’.
Afvalligheid in christendom een vrij jong verschijnsel
Afvalligheid is zo oud als de religie zelf, hoewel apostasie zoals het afzweren van een godsdienst ook wel genoemd wordt, veeleer uitzondering is dan regel. De meest bekende afvalligen waren de eerste christenen in het romeinse rijk. Zij braken met het romeinse veelgodendom dat nauw verweven was met de staat, en feitelijk staatsgodsdienst was. Op de christelijke afvalligheid stond formeel de doodstraf, die ook daadwerkelijk is voltrokken aan die christenen die weigerden te offeren aan de romeinse keizer.
Beroemde afvalligen uit de oudheid zijn de halfjoodse half-romeinse apostel Paulus, die van orthodox-joodse christenvervolger in romeinse dienst veranderde in christen. Vermaard is ook kerkvader Augustinus. De schrijver van ‘de Belijdenissen’, een van de oudste autobiografieën ter wereld, zwoer het ‘heidense’ geloof af, ter wille van Jezus en de Schrift. Dat het ook andersom kon bewees Julianus Apostata, ofwel Julianus de Afvallige. Deze halfbroer van keizer Constantijn die het christendom tot romeinse staatsgodsdienst had uitgeroepen, was keizer van 360 tot 363 na Chr. Ondanks zijn christelijke opvoeding viel hij, zoals dat heet, van zijn geloof. Hij kondigde algemene godsdienstvrijheid af, maar legde wel het christendom allerlei beperkingen op.
In de lange geschiedenis van het christendom was er niet zozeer sprake van afvalligheid als wel van ketterij, een vergrijp waarop vanaf de dertiende eeuw in extreme gevallen de doodstraf stond. ‘Ketters’ als de op de brandstapel geëindigde Johannes Hus (1369-1415,) en Luther zagen zichzelf niet als afvalligen, maar juist als hoeders van de ware orthodoxie. Maar er waren ook ‘ketters’ die de grenzen van de geloofsdogma’s opzochten en daardoor in de buurt van afvalligheid kwamen. Giordano Bruno, de Italiaanse ex-dominicaan, was zo’n iemand. De katholieke inquisitie bracht hem in 1600 op de brandstapel. Voor die tijd was hij als ex-katholiek zowel door de calvinisten en lutheranen waar hij geestelijk onderdak zocht, geëxcommuniceerd.
Afvalligheid komt binnen het christendom vanaf de negentiende eeuw iets veelvuldiger voor. Bekende afvalligen uit het midden van de negentiende eeuw zijn bijvoorbeeld de voormalige dominees Busken Huet en Domela Nieuwenhuis, de oprichter van de Sociaal Democratische Bond (de eerste linkse partij in Nederland). In de tweede helft van de twintigste eeuw deden gereformeerde schrijvers als Jan Wolkers en Maarten ’t Hart op overtuigende wijze verslag van zowel hun godsdienstige jeugd als van hun ongeloof. De sanctie op geloofsafval in hun jeugd was vooral sociale uitsluiting.