Geen bloemen voor olympisch kampioenen De olympische tandem van 1928

- Zoom
- Bernard Leene en Daan van Dijk met een graspol
Precies tachtig jaar geleden werden in Amsterdam de Olympische Spelen gehouden. De fietsers Bernard Leene en Daan van Dijk waren op hun tandem de eerste Nederlanders, die goud wonnen. Omdat er geen bloemen waren, reden ze rond met een graspol. Die fiets staat trouwens weer in het Olympisch Stadion.
Geen bloemen voor olympisch kampioenen
De kranten van 1928 bezuinigden nog niet op de openingszinnen van een artikel: ‘De duizenden getrouwen die in de afgelopen week dag aan dag in het Stadion gewacht hebben op de helaas zoo schaarsche gelegenheid om een Hollandsche zege, althans een fraaie Hollandsche prestatie te kunnen toejuichen, hebben hedenavond, bij de voortzetting van de gisteren zoo spoedig onderbroken Olympische wielerwedstrijden, hun schade kunnen inhalen.’
De Olympische Spelen waren namelijk al een week bezig en nog steeds had geen Nederlandse sporter een gouden plak gewonnen. Totdat Bernard Leene en Daan van Dijk bij de twee kilometer tandem als eerste eindigden na een spannende finale tegen het Engelse duo Sibbit-Chambers. Eindelijk een olympisch kampioen uit Nederland – genoeg rechtvaardiging voor zo’n lange openingszin. Dat de feestvreugde op de tribunes meteen daarna zou veranderen in enorme woede wist toen nog niemand.
In mei 1925, dus maar drie jaar voor de Amsterdamse Spelen, reed Bernard Leene zijn eerste officiële wedstrijd. De legendarische wielrenjournalist Joris van den Bergh schreef hierover: ‘Hij maakte niets. In de demi-finale kreeg hij Jaap Meyer tegenover zich en die knikkerde hem er natuurlijk uit.’
Negen wedstrijden later verloor Bernard bewust van zijn broer Theo om familietwisten te voorkomen. Wel werd hij na die race afgevaardigd voor het wereldkampioenschap amateurs. Vanaf zijn debuut had Leene dus maar negen wedstrijden nodig om zich naar het belangrijkste toernooi van de wereld te fietsen. Daar won hij een bronzen medaille - in zijn elfde wedstrijd…
‘Dat noemen wij knap’, concludeerde dezelfde Van den Bergh eerlijk, ‘verrassend knap.’ En dat terwijl Leene niet de gewenste lichaamsbouw zou hebben: ‘Wij voor ons prefereeren voor sprinters een andere lichaamsbouw. Wij voor ons houden het meer op ietwat langere figuren, bij Hollandsche renners wel te verstaan.’
Een groot voordeel was echter, zo schreef journalist Fred van Slogteren in 'Wielerhelden van Oranje', dat de familie Leene wemelde van het wielertalent: ‘Het verschijnsel wielrennende broers is zo oud als de wielersport zelf. Dat er in Nederland ooit vijf fietsende broers zijn geweest zal menigeen niet weten, omdat het al zo lang geleden is. Dat waren de gebroeders Leene uit Den Haag, van wie er drie (Gerard, Theo en Piet) beroepsrenner zijn geweest en twee (Bernard en Simon) amateur zijn gebleven.’
Aldus van Slogteren. En die Bernard had dus maar elf wedstrijden nodig van debuut tot een derde plaats op een wereldkampioenschap. Was er dan nog meer dan wat aanleg? Jazeker, aldus Van den Bergh: ‘Leene heeft veel musculatuur. Hij is sterk, hij is machtig. De dierlijke souplesse, het katachtige lenige en elegantie mist hij.’
Maar er was nog iets anders, vond Van den Berg, en stapte op Gerard Leene af, de grooten broer, om hem dat persoonlijk mede te delen: ‘Bernard heeft, zeiden wij, wat geen enkele der Leene’s als renners gedemonstreerd hebben te bezitten: Hersens!’ Gelukkig voor de journalist reageerde Gerard lachend op deze constatering en gaf eerlijk toe dat dit klopte.
En zo sloot Van den Bergh in 1925 af met een voorspelling: ‘Een goed sprinter wordt hij stellig.’
In datzelfde jaar werd de achttienjarige Daan van Dijk kampioen van Nederland. Zonder dat hij toen kon vermoeden, liep dit uit op een uiterst romantische affaire. Van Slogteren schreef namelijk: ‘De volgende dag stond hij met zijn rood-wit-blauwe kampioenstrui in de krant. De vijftienjarige Stientje Lelieveld zag die foto en ze werd direct verliefd op die mooie jongen. Ze knipte het plaatje uit en elke avond voor het slapen gaan gaf ze die onbekende wielrenner een kusje. Negen jaar later was ze met hem getrouwd en durfde ze het blozend op te biechten. Ontroerd zag hij het door vele kussen beschadigde krantenknipseltje en hij maakte er een mooi lijstje om.’
Het was moeilijk om in de jaren twintig van de vorige eeuw in Nederland een baanwedstrijd te winnen, omdat de concurrentie toen enorm was. Met name Piet Moeskops heerste over de wereld en bijna niemand die hem kon verslaan. Dat dit land zo goed was in baanrennen, had onder meer te maken met de Motor- en Rijwielwet van 1905. Die verbood zo’n beetje alle wielerwedstrijden op de openbare weg, zodat de renners maar op de baan hun rondjes scheurden. De Nederlandse wielerkampioenschappen op de weg van 1913 werden daarom in België gehouden, omdat het in dit land werd verboden die te organiseren.
In het boek 'Nederlandse Sportsuccessen' van ongeveer een halve eeuw geleden stond hierover: ‘Goed, een enkele keer deed deze of gene burgemeester wel eens z’n ogen toe en mocht er gereden worden. Maar dan alsjeblieft niet met blote benen; alleen als de beide stelten van die doodrijders met lange zwarte (wollen) kousen waren bedekt. Hoe dikwijls kwam het ook niet voor, dat een of andere sikkeneurige veldwachter van achter een boom te voorschijn kwam en met een sinistere grijnslach zijn sabel tussen de spaken van de voorste rijder stak.’
En daarom reed Van Dijk dus op de baan, waar hij in 1925 het Nederlands amateurkampioenschap én het hart van Stientje won. Drie jaar later stapte hij samen met Bernard Leene op de tandem en zorgde voor een gouden olympische medaille. ‘Niet doordat ze onze snelste sprinters waren’, aldus journalist M.J. Adriani Engels, ‘maar doordat ze zo uitstekend bij elkaar pasten door karakter, houding en wijze van trappen.’
Ook de verslaggever van de Leeuwarder Courant verloor zich in een knoest van een zin om uitdrukking te geven aan de situatie in het Stadion: ‘Toen het Nederlandsche tandem-duo Leene – van Dijk zijn sublieme wieleroverwinning behaald had, toen de eerste Nederlandsche zege in een Olympisch sportnummer veroverd was, toen laaide een begrijpelijke geestdrift op onder de duizenden toeschouwers. Geestdrift, die velen meenden te moeten uitschreeuwen, want Olympische overwinningen waren voor ons tot heden schaarsch…’
Meteen daarna brak de pleuris los. Precies toen Nederland zijn eerste gouden medaille op zijn eigen Olympische Spelen won, faalde de organisatie. Er was besloten dat er eerst zou worden gekorfbald en dat pas daarna het Wilhelmus en de Nederlandse vlag aan de beurt waren. Een verkeerde taxatie, aldus de Leeuwarder Courant:
‘De laaiende geestdrift veranderde in verbittering. Wielerofficials verklaarden, dat het “een schande” was, men adviseerde zelfs om den korfbal te arresteeren, waardoor verder spelen onmogelijk zou worden. Onderwijl werden de tribunes rumoerig. Er werd gefloten, geroepen, er werd gebruld, er werd tenslotte in monotoom tempo geschreeuwd: “Ce-re-mo-nie”, en nog eens “Ce-re-mo-nie”.
Toen eindelijk ging één tribune zelfstandig en zonder muzikale begeleiding het Volkslied inzetten. Toen zwichtte de Olympische leiding. De metalen stem van den luidspreker schalde door het Stadion. “Ceremonie protocolaire de cyclisme. Champion Olympique Hollande.” Men zette de muziek van het Volkslied in, mét werd de driekleur geheschen. Toen hebben ze samen gezongen. De korfballers stonden stram in de houding.’
Het duo fietste nog een rondje voor een speciale huldiging, maar niemand had een bos bloemen om ze te overhandigen. De weduwe van Van Dijk vertelde aan sporthistoricus Ton Bijkerk dat ze daarom een graspol in de handen kregen om daarmee te zwaaien naar het publiek. Uit een foto blijkt dat inderdaad het geval was!
De graspol is verdwenen, maar de tandem is er dus nog.
(Jurryt van de Vooren)