Main Content

"Een aangenaam klimaat voor lichamelijke inspanning" Sjef van Dongen: een Hollandse poolheld op Spitsbergen in 1928 (Nobile - Italia)

  • 18 april 2008
De kerstboom van de familie Van Dongen op Spitsbergen
Zoom
De kerstboom van de familie Van Dongen op Spitsbergen

‘Hier werken in gewone tijden circa 500 menschen in de mijn en men heeft er mooie huisjes. Het werkvolk leeft in groote, goed ingerichte barakken, eet in groote eetzalen. Er is een ontspanningslokaal waar zelfs een bioscoop niet ontbreekt. Er is een kantine waar men sigaretten, sigaren, kleeren enz. koopen kan. De beambten die hun families bij zich hebben, leven in kleine huisjes welke mooi gemeubileerd zijn. En de overigen hebben elk een kamer in het casino. Men heeft er een billard en piano’s en gramophoons op welker tonen menig dansje gedanst wordt!’

"Een aangenaam klimaat voor lichamelijke inspanning"

Goudkoorts rond de Noord¬pool: met het smeltende poolijs komen grote grondstoffenreserves binnen bereik. Iedereen wil een stukje van de ijstaart. Begin vorige eeuw was dat niet anders.

Het leven was goed in Barentsburg, noteert de Nederlander Sjef van Dongen in 1928 in zijn boek "Vijf jaar in ijs en sneeuw". Ondanks de maandenlange duisternis van de poolnacht en de soms extreem lage temperaturen – de geografische Noordpool is slechts 1200 kilometer verderop – hadden de arbeiders van de Nederlandse steenkolenmijn op Spitsbergen over de werkomstandigheden niet te klagen.

Historicus Hidde de Haas, verbonden aan het Arctisch Centrum in Groningen, speurt in Barentsburg naar dat Nederlandse verleden. De mijnnederzetting mag dan nu geheel Russisch zijn, tussen 1920 en 1932 was Barentsburg in Hollandse handen. De Nederlandse Spitsbergen Compagnie, kortweg Nespico, wist binnen enkele jaren in het barre niemandsland een voor die tijd hypermoderne mijnonderneming uit de grond te stampen.

‘De steenkool ligt hier dicht aan de oppervlakte, zodat het eenvoudig te delven is,’ verklaart De Haas de keuze van de Nederlanders voor de afgelegen mijnlocatie. ‘Dankzij de permafrost is het prettig en veilig mijnen. De mijnwerkers kunnen werken bij een koele, constante temperatuur net onder nul. Door de stijfbevroren bodem storten mijngangen veel minder snel in. De Nederlandse rapporten schreven al: een aangenaam klimaat voor lichamelijke inspanning.’

Worst en vis

Voor de circa vijfhonderd arbeiders, vooral Noren en Duitsers, werd goed gezorgd door de Nederlandse leiding. Er waren twee kantines waar voor de Noren vis en de Duitsers worst werd geserveerd. ’s Avonds werden de mijnwerkers vermaakt met dansavonden, lezingen en filmvertoningen. Een boerderij met koeien, varkens en groentekassen voorzag in het voedsel. ‘Maar in 1926 sloot de mijn al weer wegens tegenvallende kolenprijzen en hoge transportkosten,’ vertelt De Haas. In 1932 werd de hele boedel voor een spotprijs overgedaan aan de Russen. De Nespico ging failliet.

Veel van dat verleden is zo op het eerste gezicht niet terug te zien. ‘Een Duits marineschip schoot in 1943 heel Barentsburg in puin. Daardoor zijn vrijwel alle gebouwen in de nederzetting naoorlogs.’ Toch weet de historicus tussen de typische sovjetgebouwen heel wat overblijfselen aan te wijzen. Naast massa’s funderingspaaltjes ontdekt hij de bijna complete fundering en vloer van het administratiekantoor van de mijn.

Op een steile helling boven Barentsburg komt bij de oude Nederlandse mijningang nog een stuk spoorrails uit de berg tevoorschijn. Overblijfselen van een houten dam herinneren aan de drinkwatervoorziening. De betonnen wanden van de kolenopslag zijn ook nog door de Nederlanders gebouwd. ‘Zelfs een deel van het gangenstelsel waarin nu nog door de Russen gemijnd wordt is door de Nederlanders aangelegd,’ aldus De Haas.

Lenin

Anno 2008 is het leven in Barentsburg een stuk minder aangenaam. Het uitzicht mag dan onverminderd adembenemend zijn – gletsjers slingeren vanaf de berghellingen naar beneden, in het fjord zwemt een stel witte beluga-walvissen voorbij – helaas wordt de horizon ernstig vervuild door de zwarte rookpluimen van de verouderde kolencentrale die de mijn en de nederzetting draaiende houdt. De bevolking is in twintig jaar teruggelopen van tweeduizend naar vierhonderd. De school is gesloten. Vrijwel alle vrouwen zijn verhuisd naar het Russische vasteland. Zelfs de mijnwerkerskantine, bijnaam bar Hilton, is dichtgetimmerd.

Wie wel is gebleven, is Lenin. Tussen de vervallen woonkazernes staat hij nog trots op zijn voetstuk en tuurt over de ijskoude wateren en besneeuwde toppen van het Grønfjorden, richting de Noordpool. En om aan te geven dat ondanks alle tegenslagen hier nog gedroomd wordt van een grote en machtige Sovjet-Unie leunt tegen de sokkel een boek van Vladimir Iljitsj zelf. De boodschap is duidelijk: wij Russen zijn echt niet van plan om hier te vertrekken.

Bruin water

Mijnwerker Alexei (‘Liever geen achternaam, vadertje Poetin leest mee’) weet zeker dat Rusland Spitsbergen nooit zal opgeven. Ondanks de enorme verliezen die de mijn draait. Meer dan de helft van de gemijnde kolen gaat naar de eigen elektriciteitscentrale. ‘Onze mijnactiviteiten zijn vooral symbolisch. Spitsbergen is voor ons strategisch veel te belangrijk. Moermansk, onze belangrijkste marinehaven, ligt hier om de hoek.’

Het leven in Barentsburg valt niet mee, vertelt Alexei. ‘Uit de kraan komt roestbruin water. En er is geen fles water meer te koop, alleen wodka hebben we genoeg.’ Toch houdt Alexei hoop. ‘Als de Noordpool straks van ons is, dan krijgen we het goed hier. Let maar op.’ En inderdaad, Alexei zou wel eens gelijk kunnen krijgen. Het klimaat warmt op en het ijs rond de Noordpool begint te smelten. En dus kan er over een jaar of veertig wellicht al geboord worden naar de enorme olie- en gasvoorraden in het gebied. Russen, Canadezen, Denen, Noren, Amerikanen; allemaal claimen ze een flink stuk van het poolgebied. De Russen plantten al een vlag op de zeebodem van de Noordpool. De Canadezen eigenen zich de ijsvrije Noordwestelijke Doorvaart toe.

Ook op Svalbard, zoals de officiële Noorse naam luidt van de Spitsbergen-archipel, is wat van die goudkoorts te merken. Talloze landen, waaronder China en India, zijn ineens hevig geïnteresseerd in het poolgebied en sturen wetenschappers naar Spitsbergen. De sleutel voor al die hernieuwde aandacht is de aparte politieke status van de eilandenarchipel. Noorwegen kreeg na de Eerste Wereldoorlog bij het Verdrag van Versailles de soevereiniteit over dit niemandsland. Militaire activiteiten op de eilanden zijn verboden en alle ondertekenaars, 52 landen, hebben sindsdien dezelfde rechten als Noorwegen.

Nieuwe mijn

Vandaar ook dat Nederlanders, Russen en Zweden hier altijd hebben mogen mijnen. Met het Spitsbergenverdrag in de hand kunnen deelnemende landen nu ook een deel van het exploitatierecht in de 200-mijlszone om Spitsbergen claimen. Wanneer er overeenstemming is over het continentaal plat rondom de eilanden, schuift die grens nog eens een flink eindje op richting Noordpool.

En dus is het vooral zaak aanwezig te zijn voordat de ijstaart wordt verdeeld. De Russen hebben ondanks hun verliesgevende mijn in Barentsburg al weer plannen om even verderop een nieuwe mijn te beginnen. Bij de walmende energiecentrale hebben wetenschappers net drie nieuwe onderzoekshutten neergezet. Uiteraard in de kleuren van de Russische vlag: wit, blauw en rood. Het is retoriek die past bij arctische veroveringsdrang. Ging het in de tijd dat de Nederlanders hier waren vooral om walvissen en steenkool, nu zijn olie en gas de inzet. Het poolijs smelt weliswaar, maar de zoveelste koude oorlog om de schatten van het poolgebied is al weer begonnen.

Tekst, samenstelling en foto's: Annelies van der Goot en Adwin de Kluyver

OVT – Het spoor terug: S.O.S. Noordpool, een Hollandsche jongen in de witte hel - Zondag, radio 1, 11.25-12.00 uur