Marjolein te Winkel gaf zondag een lezing over overleden tienkamper De gedachten van Eef Kamerbeek

- Zoom
- Atletiekkampioenschappen van Nederland tienkamp. 110 meter horden, links Vlamings, rechts Kamerbeek (9 september 1956)
Nota bene twee dagen geleden sprak journaliste Marjolein te Winkel over Eef Kamerbeek, die net is overleden. VPRO Geschiedenis plaatst de complete tekst van deze lezing als eerbetoon aan de tienkamper.
Marjolein te Winkel gaf zondag een lezing over overleden tienkamper
Door Marjolein te Winkel, auteur van het boek 'De Verloren Spelen'
Om te schrijven over sport hoef je dan ook zelf niet extreem sportief te zijn. Je moet de emoties kunnen zien. Dat komt voor mij goed uit, want ik ben niet erg sportief. Ik probeer een aantal keer per week hard te lopen. Tijdens die halfuurtjes dat ik puffend langs de Utrechtse singel ren, gaan mijn gedachten alle kanten op. Zo heb ik al rennend het begin van deze lezing bedacht. Tijdens het rennen dacht ik vaak aan de sporters uit 1956, die ik heb geïnterviewd voor mijn boek.
Zoals aan Eef Kamerbeek. Waar dacht deze tienkamper aan tijdens zijn eindeloze voorbereidingen op wat zijn eerste Olympische Spelen moesten worden?
Eef Kamerbeek had in de bossen bij Doorn getraind voor zijn eerste grote wedstrijd: het Nederlands Kampioenschap tienkamp van 1954 in Amsterdam. Door succes op onder meer de 110 meter horden had hij tijdens die wedstrijd de leiding genomen in het algemeen klassement. Op de 1500 meter, het slotnummer en tevens Kamerbeeks minst sterke onderdeel, behield hij zijn voorsprong op de concurrentie door dwars dóór de vele regenplassen op de baan te lopen en niet, zoals de andere deelnemers, er omheen.
Kamerbeek, net twintig en in militaire dienst bij de mariniers in Doorn, werd Nederlands Kampioen tienkamp. Atletiek was hem met de paplepel ingegoten door zijn vader, die in 1928 deel had genomen aan de Olympische Spelen in Amsterdam. Het jaar na zijn eerste titel kwalificeerde Kamerbeek zich voor de Olympische Spelen van Melbourne. Met behulp van de door het NOC aangestelde bondscoach, Jo Grootewal, verbeterde hij zijn tijd op de loopafstanden. De coach begeleidde echter meerdere atleten en Kamerbeek trainde dan ook veel alleen. Voor en na werktijd liep hij op de zandheuvel bij zijn woonplaats Waalre, waar hij naar eigen zeggen ‘tonnen zweet heeft liggen’.
Hij trainde tot zijn benen eraf vielen. Thuis, maar ook op ballet waar hij oefeningen deed om lenig te worden, zodat hij soepel over de horden kon springen. En op de gewichthefvereniging om zijn armen sterk genoeg te maken om met een polsstok over vier meter te springen. Samen met zijn broer fietste hij naar Stiphout om daar een halter te kopen. De twintig kilometer terug naar huis moesten ze lopen, omdat de fiets bezweek onder de zware gewichten. Hij trok zich op aan de waspaal in de tuin en aan de dakkapel, want ‘daar kreeg je zúlke armen van’ en daarmee vloog hij in het zomerseizoen weer over de lat met polsstokhoogspringen.
De atleten van de jaren vijftig waren in het winterseizoen geheel aangewezen op trainingen thuis. De atletiekbaan was ’s winters dicht. Topsport in de jaren vijftig was, in de woorden van Kamerbeek, ‘superamateuristisch’. Leven van de sport behoorde niet tot de mogelijkheden: Kamerbeek werkte 48 uur per week als bankwerker bij Philips toen de militaire dienstplicht erop zat. Van medische begeleiding was nauwelijks sprake. De oogarts in Helmond had zich een beetje verdiept in sportblessures en voorzag Kamerbeek soms van advies. Zijn tante en oom schoven hem soms 25 gulden toe, waar hij biefstukken van kon kopen, want daar werd je stérk van. Zijn spikes kreeg hij van een sponsor. De rest van de trainingskleren was voor eigen rekening. Moeder Kamerbeek moest geregeld de gerafelde mouwen van zijn trainingstrui bijbreien. Het kruis van zijn trainingsbroek hing te laag om fatsoenlijk over horden te springen en Kamerbeek ging daarom maillots dragen tijdens de training.
De motivatie om op een steeds hoger niveau zijn sport te beoefenen ging in het geval van Kamerbeek in drie fases. Eerst ging het om ‘het prijzen’: de aandacht die er was wanneer hij een wedstrijd won, een foto in een lokale krant en de lokale bekendheid die hij daardoor genoot. Vervolgens waren er ‘de prijzen’, vooral in het buitenland waar soms luxe prijzen werden weggegeven aan de winnende atleten. De laatste fase was voor Kamerbeek het belangrijkst: ‘het reizen’. Op de middelbare school was het opzienbarend dat hij op zondag van Eindhoven helemaal naar Rotterdam reisde om mee te lopen in een wedstrijd. En hoe beter hij werd, hoe verder weg hij ging. Kamerbeek bezocht tijdens zijn sportieve carrière alle delen van de wereld.
Kamerbeek was 22 jaar toen hij, met drie andere atleten en twee begeleiders, op 28 oktober 1956 afreisde naar Melbourne. Zij gingen de rest van de Nederlandse Olympische ploeg voor om in Melbourne de laatste hand aan de voorbereiding te leggen, wat in het winterse Nederland niet mogelijk was.
Kamerbeek’s gedachten tijdens zijn trainingen gingen vast over winnen, maar vooral ook over meedoen. ‘Melbourne’ sprak tot de verbeelding van álle Nederlandse atleten. Zo erg, dat sommigen er werkelijk alles voor over hadden om in Melbourne aan de Spelen mee te doen.
Zoals bokskampioen Hendricus Teters en zwemkampioen Willem de Vreng. Beide sporters hadden hun zinnen gezet op deelname aan de Spelen. Zij waren zó vastbesloten, dat zij op eigen houtje naar Melbourne reisden. Ze vertrokken in de zomer van 1956, aan boord van een vrachtschip, uit Hoek van Holland met bestemming Jakarta. Hoewel zij wel genomineerd waren voor een plek in de Olympische ploeg, was geen van beiden al zeker van deelname. Daarvoor moesten zij voldoen aan de door het NOC gestelde eisen.
De twee hadden in Nederland de kansen om aan de limieten van het NOC te voldoen, maar desondanks besloten ze om al vroeg naar Melbourne te vertrekken, op eigen kosten. De reis van een maand betaalden de twee door klusjes aan boord te doen: strijken, schoonmaken, wassen en koken. Ze waren er beiden van overtuigd dat ze goed genoeg waren in hun sport om op het hoogste niveau de competitie aan te gaan. Aan boord van het vrachtschip probeerden ze zich met behulp van gymnastische oefeningen in vorm te houden.
Van Jakarta reisden ze na een korte stop - waarin Teters een oefenpartijtje won van de lokale boksheld - verder naar Freemantle in het westen van Australië. Melbourne was nog 3800 kilometer verder en na acht dagen liften bereikten ze uiteindelijk de Olympische stad. Deze zware en moeilijke reis, zoals zij die zelf noemden, bracht hen echter niet het gehoopte resultaat: deelname aan de Olympische Spelen. Het NOC hield vast aan de vooraf vastgestelde limieten, waaraan de sporters niet voldeden. Voor De Vreng betekende dit dat hij de 100 meter in 57.5 seconden had moeten zwemmen. Hiervoor kreeg hij in Australië een laatste kans tijdens de Australische selectiewedstrijden. Bij wijze van uitzondering mocht De Vreng meezwemmen. Hij klokte een tijd van 1.01.2, bijna vier seconden te langzaam. Voor de bokser Teters was het moeilijker een bepaalde limiet vast te stellen. In september werd zijn verzoek definitief afgewezen, met als reden ‘onvoldoende kwaliteiten’.
In een laatste poging om deel te mogen nemen aan de Spelen, schreven Teters en De Vreng ten einde raad een brief aan de Koningin. ‘Wij dachten dat wij als kampioen in onze tak van sport het recht hadden ons land te vertegenwoordigen. (…) Wij hebben een zware en moeilijke reis gehad van 14000 mijl. Na dit vechten willen wij zo graag ook op de Spelen vechten, hebben wij dat niet verdiend? (...) Wij hopen dat ons beroep niet tevergeefs is en u zich in verbinding wilt stellen met het NOC om ons alsnog deel te laten nemen.’ De smeekbede was tevergeefs. Voor de Olympische onderdanen werd geen uitzondering gemaakt, Teterts en De Vreng mochten niet aan de Spelen deelnemen. De naïeve veronderstelling dat ze wel zouden mogen deelnemen wanneer zij het NOC de kosten van de vliegtickets zouden besparen, bleek ongegrond. Op zich was het niet zo’n vreemde gedachte van de beide heren, aangezien een ticket naar Melbourne in 1956 4875 gulden kostte, een bedrag dat bijna gelijk stond aan een gemiddeld jaarsalaris.
Maar het idee dat er niet genoeg geld was om een volledig Olympisch team naar Melbourne te sturen, zoals Teters en De Vreng veronderstelden, klopte niet. Eind oktober 1956 werd op een persconferentie bekend gemaakt dat voor de voorbereiding van, en de uitzending naar Melbourne ruim 700.000 gulden was opgehaald. Dit was een ton meer dan een jaar eerder op gehoopt werd.
Dát er zo veel geld was opgehaald, kwam omdat ‘Melbourne’ niet alleen tot de verbeelding van de sporters sprak, maar óók tot die van het Nederlandse volk.
Overal in Nederland werd in 1956 geld ingezameld om de Olympiërs naar Melbourne te sturen. De bridgeclub in Abcoude, de bemanning van de Van Genth-kazerne in Rotterdam, de tafeltennisbond Zeeuws-Vlaanderen, het Deventer Dagblad, de Gemeente Emmen; ‘elke steun in onze poging om te trachten met een waardige Nederlandse vertegenwoordiging naar Melbourne te gaan, wordt door ons hogelijk gewaardeerd’, schreef NOC-directeur Wim van Zijll in de dankbrief aan iedereen die een steentje bijdroeg.
Een middelbare scholier van het Aletta Jacobscollege uit Hoogezand haalde 40 gulden op met een schaatspool. De leerlingen van zijn school konden voor een dubbeltje raden welke tijd Kees Broekman op de 10 km zou schaatsen. Iedereen mocht zo vaak raden als hij wilde, degene die het dichtst bij de goede tijd zat, won een prijs. Hij oogstte bewondering van Van Zijll: ‘aan kerels zoals jij, die een initiatief durven te nemen en een plan op doeltreffende wijze weten uit te voeren, heeft Nederland behoefte’.
De bijdragen vanuit het land verschilden van een paar gulden, opgehaald met een rommelmarkt, tot duizend gulden van Unilever, Tuschinski Amsterdam, de Bataafse Petroleum Maatschappij en andere grote bedrijven. Het Parool organiseerde een prijsvraag en haalde hiermee ruim 2.500 gulden op. De voorzitter van de Voetbal Combinatie Vlissingen schreef in een bezorgde brief aan het NOC dat er ‘onregelmatigheden’ waren ontdekt bij de penningmeester. Was het door de vereniging opgehaalde bedrag wel op de rekening van het NOC gestort? Nergens blijkt uit of het NOC het geld had ontvangen, of dat de penningmeester het in eigen zak had gestoken. Als dat laatste het geval was, dan was het duidelijke een uitzondering, want de steun van de Nederlandse bevolking voor het NOC en de Olympische ploeg, was gróót.
Toen kwam het weekend van 3 november en rolden de Russische tanks Boedapest binnen.
Zoals u gezien heeft in de documentaire van Andere Tijden, reageerde Nederland zó heftig op de inval, dat het leek alsof een boycot het enige was dat Nederland kon dóen voor de Hongaren. Want Nederland wílde wat doen tegen dit onrecht: vechten met communisten, protesteren op de Dam, geld geven aan de Hongaarse vluchtelingen. En vooral NIET sporten met de Russische agressor.
De Hongaren daarentegen deden dat wél. De Hongaarse waterpoloërs kwamen oog in oog te staan met het Russische waterpoloteam. Het zou een historisch gevecht worden.
Én een harde wedstrijd, dat stond van tevoren al vast. ‘s Ochtends was in de Hongaarse kleedkamer de te volgen tactiek besproken. Haal voordeel uit de kennis van de taal van de tegenstander. Maak ze boos, beledig ze, beledig hun familie, leid ze af en laat ze geen seconde in het spel komen, dat was de afspraak. Hierin kreeg het team alle steun van het publiek, dat op donderdagmiddag 6 december 1956 in het Olympisch zwembad in Melbourne als één man achter de Hongaarse waterpoloërs stond. 5500 Mensen zwaaiden op de tribunes met Hongaarse vlaggen, juichten de Hongaren toe en jouwden de tegenstander uit: het team van de Sovjet-Unie.
De sportieve belangen waren groot die dag. Beide teams wilden natuurlijk winnen, maar beide wilden vooral dat de ander zou verliezen. Vanaf het moment dat de Zweedse scheidsrechter het startsein gaf, begon een strijd waarin waterpolo een bijkomstigheid leek te zijn. Er werd geduwd, getrokken, gescholden, geslagen, geschopt. Het publiek schreeuwde, juichte voor de Hongaren en spuugde naar de Russische spelers.
Aanvoerder Dezsŏ Gyarmati scoorde het eerste doelpunt voor de Hongaren, met een beweging waarmee hij zijn tegenstander bijna knock-out sloeg. Deze waterpologrootheid had met het Hongaarse team in 1952 op de Spelen van Helsinki goud behaald. Ook nu was goud zijn doel. Slechts een paar minuten na de Hongaarse goal moest een Russische speler tijdelijk voor straf naar de kant, omdat hij uithaalde naar zijn tegenstander. Toen ook Boris Markarov van het Russische team en Antal Bolvari van het Hongaarse team elkaar aanvlogen, was de toon voor de rest van de wedstrijd gezet. Tussen het duwen, trekken, slaan en schoppen door maakte Ervin Zádor nog twee goals voor Hongarije.
Tijdens de wedstrijd leek de vooraf afgesproken tactiek volledig uit de hand te lopen. Toch hielden de Hongaren het hoofd koel en wisten de bal naar het doel van de tegenstander te brengen. Het lukte de Russen niet de wedstrijd naar hun hand te zetten. De Hongaarse tactiek werkte, maar het was zwaar. De woede van de Russen begon zijn tol te eisen. Antal Bolvari van het Hongaarse team werd tegen zijn oor geraakt door de Rus Valentin Prokopov. Vanwege de pijn en vermoeidheid vroeg hij zijn teamgenoot Ervin Zádor om de laatste minuten zijn plek over te nemen. Zádor droeg graag zijn steentje bij, week niet van de zijde van Propokov en beledigde de Rus met alles wat hij kon verzinnen. Op een onbewaakt ogenblik, in de laatste minuten van de wedstrijd, verloor Zádor de getergde Rus uit het oog. Prokopov haalde onmiddellijk uit. Het resultaat was een diepe snee boven zijn rechteroog. Zádor verliet bloedend het zwembad. Dit was voor de scheidsrechter de bevestiging dat het in het zwembad niet meer om waterpolo draaide en hij staakte de wedstrijd. De Hongaren, die op dat moment leidden met 4-0, wonnen.
Het publiek, volledig op de hand van de Hongaren, was buiten zinnen. Woedende mensen probeerden naar de rand van het zwembad te komen om daar de Russische spelers uit te schelden en te bespugen. De politie moest de spelers uitgeleide doen om erger te voorkomen. Het beeld van de bebloede Zádor ging de wereld over. De verhalen over de wedstrijd gingen al snel een eigen leven leiden. Zo zou het water in het zwembad roodgekleurd zijn van al het bloed dat vloeide. De wedstrijd ging de geschiedenis in met de naam ‘Blood in the water’.
Het toernooi zat er echter nog niet op. De volgende dag al moesten de Hongaren aantreden tegen de Joegoslaven, die slechts één punt achter stonden. De winnaar van de wedstrijd zou Olympisch kampioen worden. Nog vol adrenaline en energie van de dag ervoor won het Hongaarse team met 2 -1. Voor de vierde keer won Hongarije Olympisch waterpologoud. Joegoslavië werd tweede, de Sovjet-Unie won de bronzen medaille.
De Hongaren droegen tijdens de wedstrijd op 6 december 1956 een historische last met zich mee. Aan het eind van 1948 waren Polen, Roemenië, Tsjecho-Slowakije, Oost-Duitsland en Hongarije onder communistische leiding gekomen na 'revoluties van bovenaf': machtsgrepen door de communistische partijen die onder leiding van Moskou stonden. In een poging zich te bevrijden van dat Russische juk, begonnen in het najaar van 1956 in de Hongaarse hoofdstad Boedapest studentenprotesten. Al gauw liep dit uit op een ware revolutie. Even leken de Hongaren hun vrijheid te krijgen. Toen greep Rusland in, met een bliksemactie die zij ‘operatie Wervelwind’ noemden. De hoop van de Hongaren werd de grond in geslagen. Zij konden de Russen alleen verslaan in een waterpolowedstrijd.
En in Nederland wilde in die dagen niemand iets te maken hebben met de Russen.
'Geen mens mag zich veroorloven samen met de met bloed bevlekte Russische vlag en zijn draagsters en dragers te verblijven op een plaats, waar de vrijheid basis is, waar een sportieve geest zal heersen, waar waardering de grondslag moet zijn en het streven naar het geluk der mensheid geldt'. Zo luidde het in een telegram van de Nederlandse Culturele Sportbond, waarin terugtrekking van de Olympische Spelen werd gevraagd.
De bond werd in zijn oproep gesteund door de overkoepelende organisaties van de verschillende takken van sport, zoals de Nederlandse Krachtsportbond, de Gymnastiekbond en de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond. Verenigingen die niet direct te maken hadden met deelname aan deze Spelen. Óf met Olympische sport, zoals de Katholieke Jeugdraad voor Nederland, de Oudste Zaanse Voetbalvereniging, de beweging van Europese federalisten, de bevolking van Assen namens alle inwoners van Drenthe en de paters Karmelieten van het klooster De Grundel te Hengelo. Niet alleen trok heel Nederland zich het lot van de Hongaren aan, bovendien leek iedereen ervan overtuigd dat deelname aan de Spelen een verraad zou zijn aan het arme Hongaarse volk. Telegrammen vóór deelname, met een boodschap om sport en politiek gescheiden te houden, zijn nauwelijks te vinden in het archief van het NOC.
Eef Kamerbeek en de andere drie atleten waren inmiddels al in het Olympisch dorp toen het NOC het besluit nam om Melbourne te boycotten.
De atleten waren vreselijk teleurgesteld. Kamerbeek voelde zich de dupe van dit besluit. “Wij waren sporters, we waren niet bezig met politiek.” En sport ging voor politiek, ook wanneer hij zelf niet mee mocht doen. Daarom weigerde Kamerbeek terug te gaan naar Nederland. Hij wilde, nu hij toch in Melbourne was, als toeschouwer de Olympische Spelen beleven. Terwijl chef d’équipe Van Zijll de vlucht terug naar huis probeerde te boeken, stuurde Kamerbeek een telegram naar zijn moeder met het verzoek om toestemming om in Melbourne te blijven. Op 17 november kwam Kamerbeek met het antwoord van zijn moeder in de hand, aan de ontbijttafel zitten en deelde mee dat hij niet met de groep zou terugreizen naar Nederland.
“Mijn besluit stond vast. Maar het NOC was er fel op tegen”, vertelt hij. Coach Jo Grootewal en Van Zijll probeerden Kamerbeek over te halen om toch mee terug te gaan. Het zou het door het NOC gemaakte statement ontkrachten, als een sporter in Melbourne zou blijven en ongetwijfeld ook wedstrijden met Russische deelnemers zou bezoeken. Maar Kamerbeek was niet te vermurwen.
Zelfs niet toen het NOC in Nederland besloot zich ermee te bemoeien. Voorzitter Linthorst Homan zelf stuurde op 17 november een telegram naar Van Zijll. ‘Niet akkoord langer verblijf Kamerbeek stop indien Kamerbeek tegen onze uitdrukkelijke principiële wens blijft, dient vliegticket te worden ingetrokken stop reken echter op uw gezag opdat deze noodmaatregel worde voorkomen.’ Het NOC werd in deze strenge maatregelen aangespoord door betrokken Nederlanders, die hun mening ongevraagd deelden met het NOC-bestuur.
Een voorbeeld hiervan is een brief van ene heer Dullemand, verstuurd op 19 november 1956. ‘Met bijzonder grote ontstemming heb ik vernomen dat een der leden van de uitgezonden atletiekploeg niet direct naar Nederland terugkeert doch is gezwicht voor aanbiedingen aldaar om de Olympische Spelen als toeschouwer bij te wonen. Ik neem gaarne aan dat door de in Australië zijnde leden van het NOC-bestuur de nodige aandrang is uitgeoefend om hem te bewegen zich solidair met het NOC te verklaren en met de andere leden van de ploeg naar huis te keren. Dat dit niet is gelukt, is alleen een bewijs van de ongezonde mentaliteit van dit jongmens, wiens houding bij de overgrote meerderheid van het Nederlandse volk een bijzonder slechte indruk zal maken.’
Het kon Kamerbeek niets schelen. Hij bleef en Van Zijll, Dini Hobers, Puck van Duyne-Brouwer, Henk Visser en Jo Grootewal vertrokken. Even leek Kamerbeek zijn zin te hebben gekregen. Hij had een logeerbed aangeboden gekregen in het huis van een Nederlandse immigrante. Met de officials in Melbourne had hij afspraken gemaakt om de wedstrijden te kunnen bijwonen. Toen kreeg hij opnieuw een telegram. Van zijn moeder. Ze bleek ziek te zijn geworden en vroeg hem alsnog terug te komen naar Nederland. In de Telegraaf van 22 november 1956 verklaarde hij: ‘Ik geloofde het niet. Ik dacht dat het een nieuwe truc was van het NOC om me naar huis te krijgen. Ik ben er vast van overtuigd dat al die door het Olympisch Comité en de kranten veroorzaakte deining haar ziek heeft gemaakt. Natuurlijk moet ik nu naar huis. Maar ik wens duidelijk te maken dat ik ga ter wille van mijn moeder en niet wegens het Olympisch Comité.’
Kamerbeek vertrok uit Melbourne op de dag van de opening van de Spelen. Op het vliegveld zag hij Prins Philip, echtgenoot van de Britse Koningin Elizabeth. De prins arriveerde in Melbourne om de Spelen officieel te openen. “Toen mijn vliegtuig bij vertrek boven de stad vloog, kon ik door mijn raampje het Olympisch stadion zien, waar de openingsceremonie al was begonnen”, herinnert Kamerbeek zich. Eenmaal terug in Nederland bleek het met zijn moeder een stuk beter te gaan. Kamerbeek is er nog altijd van overtuigd dat zijn moeder zich door alle commotie in Nederland rondom haar zoon zo ziek heeft gevoeld. En dat hij dus daardoor zijn eerste Spelen heeft gemist.
Eef Kamerbeek stond in 1956 aan het begin van zijn carrière en was vier jaar later opnieuw van de partij op de Olympische Spelen in Rome. Hij wist in 1956 al dat ik naar Rome zou gaan, want daar kon je zelfs op de fíéts naar toe. Maar de teleurstelling die hij te verwerken kreeg, droeg hij gedurende zijn hele leven mee. Erger kon niet voor een sportman, hij rekende nergens meer op. Hij heeft er een hoog frustratie-incasseringsvermogen mee opgebouwd.
Hoe groot de frustratie was voor Kamerbeek merkten ook andere sporters, onder wie Erica Terpstra. Zij maakte in 1960 als zeventienjarige deel uit van het Olympisch zwemteam. Toen ze hoorde dat ze naar de Olympische Spelen mocht, ging ze helemaal uit haar dak. Ze kwam op Schiphol Eef Kamerbeek tegen en zei tegen hem: ‘Oh vind je het ook zo machtig mooi? Ik ben zo blij!’ Maar Eef deelde haar enthousiasme niet. Ze werd voor het eerst geconfronteerd met die verbittering van vier jaar eerder. “Dat was heel heftig”, zegt Terpstra. “En ik moet zeggen dat ik dat daarna nooit meer ben kwijt geraakt. Vooral ook omdat ik weet hoe het is om naar de Spelen te mogen. Je kent het enthousiasme en het is dan diep ingrijpend om te zien dat dat zó de kop kan worden ingedrukt door een telegram met de boodschap dat je het Olympisch dorp moet verlaten.”
Terpstra besefte vijftig jaar later, toen zij voorzitter van het NOC*NSF was, dat de beslissing van haar voorganger als uiterst bot bestempeld kon worden. Om dit goed te maken organiseerde de Nederlandse Vereniging voor Olympische Deelnemers daarom in het voorjaar van 2006 een reünie, in het Kurhaus in Scheveningen. Daar sprak oud-NOC-penningmeester Klaas van den Houten, inmiddels 93 jaar. Hij bood zijn excuses aan de sporters aan, net als Terpstra namens het NOC. Veel van de 59 sporters die de Spelen aan zich voorbij hadden zien gaan, vonden dit een mooi gebaar.
Eef Kamerbeek ziet het anders. “Na vijftig jaar excuses aanbieden maakt niets goed. Het is vast goed bedoeld hoor, maar ik ben er eigenlijk nog steeds boos over”, zegt Kamerbeek.
En uit zijn woorden blijkt dat sport áltijd, ook na 52 jaar, emotie is.