Main Content

Slachtoffer van Nederlandse boycot van 1956 Tienkamper Eef Kamerbeek overleden

  • 26 augustus 2008
Atletiekkampioenschappen van Nederland tienkamp. 110 meter horden, links Vlamings, rechts Kamerbeek (9 september 1956)
Zoom
Atletiekkampioenschappen van Nederland tienkamp. 110 meter horden, links Vlamings, rechts Kamerbeek (9 september 1956)

Voormalig tienkamper Eef Kamerbeek is op 74-jarige leeftijd overleden. In 1956 werd hij slachtoffer van de Nederlandse boycot van de Olympische Spelen in Melbourne. In 1960 ging hij wel naar de Spelen, maar bleef verbitterd over de affaire van 1956. Journaliste Marjolein te Winkel sprak recent nog met hem over zijn sportleven.

Slachtoffer van Nederlandse boycot van 1956

Onderstaand stuk is overgenomen uit het boek 'De Verloren Spelen' van Marjolein te Winkel.

Twee jaar voor de Olympische Spelen van 1956 had Eef Kamerbeek in de bossen bij Doorn getraind voor zijn eerste grote wedstrijd: het Nederlands Kampioenschap tienkamp in Amsterdam. Door succes op onder meer de 110 meter horden had hij tijdens die wedstrijd de leiding genomen in het algemeen klassement. Op de 1500 meter, het slotnummer en tevens Kamerbeeks minst sterke onderdeel, behield hij zijn voorsprong op de concurrentie door dwars door de vele regenplassen op de baan te lopen en niet, zoals de andere deelnemers, er omheen.

Kamerbeek, net twintig en in militaire dienst bij de mariniers in Doorn, werd Nederlands Kampioen tienkamp. Atletiek was hem met de paplepel ingegoten door zijn vader, die in 1928 deel had genomen aan de Olympische Spelen in Amsterdam.

Het jaar na zijn eerste titel kwalificeerde Kamerbeek zich voor wat zijn eerste deelname aan de Olympische Spelen had moeten worden. Met behulp van een door het NOC aangestelde bondscoach Jo Grootewal verbeterde hij zijn tijd op de loopafstanden. De coach begeleidde echter meerdere atleten en Kamerbeek trainde dan ook veel alleen. Voor en na werktijd liep hij op de zandheuvel bij zijn woonplaats Waalre, waar hij naar eigen zeggen ‘tonnen zweet heeft liggen’.

Hij trainde tot zijn benen eraf vielen. Thuis, maar ook op ballet waar hij oefeningen deed om lenig te worden, zodat hij soepel over de horden kon springen, en op de gewichthefvereniging om zijn armen sterk genoeg te maken om met een polsstok over vier meter te springen. Samen met zijn broer fietste hij naar Stiphout om daar een halter te kopen. De twintig kilometer terug naar huis moesten ze lopen, omdat de fiets bezweek onder de zware gewichten. Hij trok zich op aan de waspaal in de tuin en aan de dakkapel, want ‘daar kreeg je zúlke armen van’ en daarmee vloog hij in het zomerseizoen weer over de lat met polsstokhoogspringen.

De atleten van de jaren vijftig waren in het winterseizoen geheel aangewezen op trainingen thuis. De atletiekbaan was ’s winters dicht en de baan had geen verlichting. Topsport in de jaren vijftig was, in de woorden van Kamerbeek, ‘superamateuristisch’.

Leven van de sport behoorde niet tot de mogelijkheden: Kamerbeek werkte 48 uur per week als bankwerker bij Philips toen de militaire dienstplicht erop zat. Van medische begeleiding was nauwelijks sprake. De oogarts in Helmond had zich een beetje verdiept in sportblessures en voorzag Kamerbeek soms van advies. Zijn tante en oom schoven hem soms 25 gulden toe, waar hij biefstukken van kon kopen, want daar werd je sterk van. Sponsors had hij nauwelijks, alleen zijn spikes kreeg hij van een sponsor.

De rest van de trainingskleren was voor eigen rekening. Moeder Kamerbeek moest geregeld de gerafelde mouwen van zijn trainingstrui bijbreien. Het kruis van zijn trainingsbroek hing te laag om fatsoenlijk over horden te springen en Kamerbeek ging daarom maillots dragen tijdens de training.

De motivatie om op een steeds hoger niveau zijn sport te beoefenen ging in het geval van Kamerbeek in drie fases. Eerst ging het om ‘het prijzen’: de aandacht die er was wanneer hij een wedstrijd won, een foto in een lokale krant en de lokale bekendheid die hij daardoor genoot. Vervolgens waren er ‘de prijzen’, vooral in het buitenland waar soms luxe prijzen werden weggegeven aan de winnende atleten. De laatste fase was voor Kamerbeek het belangrijkst: ‘het reizen’. Op de middelbare school was het opzienbarend dat hij op zondag van Eindhoven helemaal naar Rotterdam reisde om mee te lopen in een wedstrijd. En hoe beter hij werd, hoe verder weg hij ging. Kamerbeek bezocht tijdens zijn sportieve carrière alle delen van de wereld.

Kamerbeek was 22 jaar toen hij, met drie andere atleten en twee begeleiders, op 28 oktober 1956 afreisde naar Melbourne. Hij werd vergezeld door Puck van Duyne-Brouwer, Dini Hobers, Henk Visser, coach Jo Grootewal, chef d’équipe Wim Van Zijll en ANP-verslaggever Leo de Wolff. Zij gingen de rest van de Nederlandse Olympische ploeg voor om in Melbourne de laatste hand aan de voorbereiding te leggen, wat in het winterse Nederland niet mogelijk was.

Tevergeefs, want vlak voor aanvang van deze Spelen kwam uit Nederland het bericht dat de sporters per onmiddellijk terug moesten naar huis. De Spelen van 1956 werden geboycot uit protest tegen de Russische inval in Hongarije. Alhoewel hij vier jaar later alsnog naar de Olympische Spelen ging, zou hij nooit meer over de teleurstelling van 1956 kunnen stappen.

Aldus Marjolein te Winkel in haar boek 'De Verloren Spelen'.