Ook in 1934 waren voetballers niet egoïstisch De sociale geschiedenis van de Nederlandse topsport

- Zoom
- Minister Marchant (rechts) betreedt de eretribune voor Nederland - België op 11 maart 1934. Het conflict waarover dit artikel gaat, moest toen nog beginnen.
Al meer dan een eeuw heeft de Nederlandse sportwereld oog voor maatschappelijke problemen. In die dikke honderd jaar zijn enorme bedragen opgehaald tijdens benefietwedstrijden, liefdadigheidsbijeenkomsten en collectes op de tribunes. Nadat een minister in 1934 enkele bijzondere botte opmerkingen maakte over het egoïsme van het Nederlandse voetbal werd daarom bijzonder heftig gereageerd door de KNVB.
Ook in 1934 waren voetballers niet egoïstisch
Beroemde sportmensen als Johan Cruijff, Richard Krajicek, Johan Neeskens en Dirk Kuyt zijn erg druk met maatschappelijke projecten. Ieder heeft zijn eigen stichting, waarmee ze zowel geld als aandacht verzamelen - vooral voor kinderen met een achterstand. Zoals Kuyt op zijn website schrijft: ‘De foundation hebben we opgericht, omdat ik het gevoel heb dat ik in de bloei van mijn leven ben, en dat dit het moment is voor mezelf, om iets te gaan doen aan de minder bedeelde mensen in deze wereld.’
In 2006 schonk de Johan Cruyff Foundation 150 rolstoelen ter bevordering van de sport voor kinderen met een lichamelijke beperking. In datzelfde jaar ontvingen de goedgekeurde projectaanvragen ongeveer 3,5 miljoen euro. De jaarlijkse Open Dag van deze Foundation in het Olympisch Stadion is keer op keer een feest voor kinderen met of zonder lichamelijke beperkingen. Ook de ouders genieten intens van het plezier van hun kinderen en – laten we dat niet vergeten - de aanwezigheid van Cruijff en zijn vele ambassadeurs uit de sportwereld.
Deze maatschappelijke belangstelling is net zo oud als de sport zelf. Eind negentiende eeuw werden door heel Nederland speciale voetbalwedstrijden georganiseerd om geld op te halen voor liefdadigheidsinstellingen. Het merendeel van ging naar de bestrijding van tuberculose.
De Amsterdamse voetbalclub R.A.P. – de eerste kampioen van Nederland! – haalde in het seizoen 1899/1900 geld op voor een fonds tot ondersteuning van de nabestaanden van in Nederlands-Indië gevallen militairen. In datzelfde seizoen waren er ook veel liefdadigheidswedstrijden vanwege de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Het Britse Rijk was toen in oorlog met de Boeren of Afrikaners van vaak Nederlandse afkomst. Omdat die Boeren veel sympathie hadden in Nederland werden deze wedstrijden georganiseerd.
Het waren populaire gebeurtenissen, waar vaak fabelachtige sommen werden verdiend voor het goede doel. Drie voetbalwedstrijden bijvoorbeeld voor het Belgische Rode Kruis leverden aan het einde van de Eerste Wereldoorlog ruim 2.600 gulden op. In Sneek werd in de jaren twintig jaarlijks een sportwedstrijd georganiseerd voor de tbc-bestrijding. Van 1921 tot en met 1927 werd hier 7000 gulden opgehaald.
Een leuke bijkomstigheid van deze grote belangstelling voor liefdadigheidswedstrijden was dat veel bezoekers ontdekten dat ze die sportevenementen zo leuk vonden dat ze vaker wilden komen. De snel groeiende belangstelling voor met name voetbal aan het begin van de vorige eeuw is mede veroorzaakt door al die benefietwedstrijden! Zo werd iedereen er dus beter van.
In 1934 was er een merkwaardige rel over zo’n liefdadigheidswedstrijd. De liberale minister Hendrik Pieter Marchant van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en de Nederlandse voetbalwereld rolden een half jaar vechtend over straat. Het conflict begon op 11 maart 1934 in het Olympisch Stadion na de interland Nederland – België.
Aanvankelijk was er niets aan de hand, want de minister feliciteerde na de wedstrijd de Nederlandse spelers, die zojuist met 9-3 hadden gewonnen. De stemming zat er dus goed in, net als bij het traditionele banket na afloop. De minister gebruikte zijn speech voor een oproep tot steun aan het Orkest van het Concertgebouw: “De regeering kan in dezen tijd niet tot verhooging van subsidie overgaan: de rijksmiddelen laten dat niet toe. Daarom wil ik overgaan tot een steunactie, waaraan ook het publiek bijdraagt. Toen ik Zondag zag dat voor voetbal de beurzen nog wel opengaan, was mijn gedachte, dat dan de voetbalsport wellicht iets aan die steunactie zou kunnen bijdragen. Ik hoop dan ook van harte, dat de KNVB voor dit prachtige doel wat geld zal willen geven.”
Tot enorme teleurstelling van Zijne Excellentie wilde de KNVB dat echter niet. Op 3 juni haalde hij fors uit: “Ik heb getracht onze voetballers er op te wijzen dat zij zich moreel en intellectueel tot een hoger niveau zouden kunnen opwerken, indien zij hun plicht zouden zien om een ander deel van mijn staatstaak te begunstigen [ondersteu¬ning van het Concertgebouw, redactie]. Zij hebben dat niet gedaan; zij hebben zich blijkbaar op het lagere niveau behagelijk ge¬voeld. Dat zij er op blijven!” Om zijn woorden kracht bij te zetten, verbrak hij de relatie met de KNVB.
Marchant had de discussie zo op scherp gezet, wat tekenend was voor zijn persoonlijkheid. Het Biografisch Woordenboek van Nederland merkt namelijk op dat hij soms erg eenzijdig was: ‘Hij besefte zelden dat een zaak verschillende kanten kon hebben.’ Het leverde hem in 1934 de hoon op van voetbalbestuurder Bergvelt, die zei dat de heer Marchant een fout maakte door de relaties te verbreken: “De minister had in de voetbalwereld kunnen leeren hoe men een nederlaag heeft te dragen.”
Bert Heesakker, hoofdredacteur van het Rotterdamse clubblad De Feyenoorder, was ziedend. In het julinummer van 1934 brieste hij: ‘De KNVB verdeelde ƒ3000,- over liefdadigheidsprojecten, en de verenigingen, voorzover het bekend werd, droegen een bedrag af van niet minder dan ƒ 25.826,83. Dat is derhalve een totaal bedrag van plm. ƒ 29.000,- Staan de voetballers met dit bedrag toch nog moreel en intellectueel op een lager niveau? Maar, hemeltjelief, met welk bedrag kan men dan een hoger bereiken; moet het misschien een ton zijn?’
Dat Feyenoord zo fel reageerde, had te maken met de jaarlijkse Bloedtransfusiewedstrijd van deze club tegen Sparta – een jaarlijkse benefietwedstrijd op Het Kasteel voor het Rode Kruis. Per keer leverde dat zo’n ƒ 2.000,- op. De status van dit initiatief was hoog, want de wedstrijden werden altijd bijgewoond door een lid van het Koninklijk Huis. Tot aan zijn dood in 1934 was prins Hendrik vaste gast, waarna zijn dochter Juliana het overnam. Dat Marchant het nodig had gevonden om juist de voetballers te beschuldigen van egoïsme kwam daarom hard aan.
Gelukkig bezat de minister volgens het Biografisch Woordenboek nóg een karaktertrek: ‘Veranderde hij van inzicht, dan was hij spoedig vergeten dat hij kort daarvoor er anders over had gedacht.’ De rel liep daarom in hetzelfde jaar met een sisser af, nota bene opnieuw bij een banket. In oktober vierde de Haagse Voetbalbond mét Marchant zijn veertigjarige bestaan.
Een aanwezige journalist schreef: ‘Hij hield een vlotte geestige speech, waarin hij een enkele maal wat scherp was jegens den KNVB, maar op deze wijze maakte Zijne Excellentie op joviale manier zijn rentree in de voetbalwereld, hetgeen zeer gewaardeerd werd.’ En daarmee kwam een einde aan de ruzie over de maatschappelijke betrokkenheid van het de Nederlandse sport.
(Jurryt van de Vooren, in samenwerking met Sport & Strategie)
Extra afbeeldingen
- Zoom
- Het diner na afloop waar Marchant zijn oproep aan de KNVB deed
- Het diner na afloop waar Marchant zijn oproep aan de KNVB deed