Hoe de bezetter aan "neutrale" liefdadigheid leek te willen doen In Europa+ 1940: Winterhulp Nederland

- Zoom
- Winterhulp
Het idee was slim maar ook doorzichtig. Met de oprichting van "Winterhulp Nederland" op 22 oktober 1940 deed de bezetter voorkomen alsof er een neutrale hulporganisatie in het leven was geroepen. In het eerste propagandafilmpje (zonder geluid!) wordt zelfs de Amsterdamse burgemeester De Vlugt misbruikt als initiator van de actie. Niets was minder waar, en het zou ook niet echt gaan werken. Vanaf het begin boycotte het grootste deel van de Nederlandse bevolking de nazistische Winterhulp.
Hoe de bezetter aan "neutrale" liefdadigheid leek te willen doen
De Winterhulp werd opgericht op 22 oktober 1940 door rijkscommissaris Seyss-Inquart. De hulpverlening was volgens het spraakgebruik op de winter gericht, want de mensen mochten verwachten dat er onder het nationaalsocialisme geen armoede meer was. Alleen in tijden van winterkou en vorstverlet zou extra liefdadigheid in de vorm van voedsel, kleding en dergelijke nodig zijn. Volgens artikel 2 van het oprichtingsdecreet was de doelstelling: 'Het is de taak der Stichting om de in het bezette Nederlandsche gebied levende behoeftige Nederlandsche staatsburgers zonder aanzien des persoons hulp en ondersteuning te verschaffen.' De steun bestond uit waardebonnen en goederen als levensmiddelen, kleding etc. Aanvankelijk kregen Joden ook steun.
De Winterhulp kreeg de vorm van een stichting onder leiding van een directeur-generaal die alleen aan de rijkscommissaris verantwoording schuldig was . De eerste was Carel Piek (tot 1 juni 1942 en de tweede (en laatste) F.W. van Vloten (tot de ineenstorting van de Winterhulp na Dolle Dinsdag. Een landelijke erecomité en een commissie voor toezicht op de financiën zouden de bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen. In het erecomité namen enkele secretarissen-generaal en alle elf commissarissen der provincies zitting. De controle der financiën vond plaats onder leiding van secretaris-generaal van financiën, L.J.A. Trip . Alle Nederlandse burgemeesters werden benoemd tot plaatselijke directeuren.
De inkomsten van de Winterhulp bestonden uit: collecten, loterijen, een uitkering van in principe 5% uit de winst van bedrijven en een inhouding van 1% op de lonen en salarissen. Iedere provincie had een bureau en daarnaast waren er bureaus in de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Er was ook sprake van 'kringen', onder meer in de Gelderse Vallei en van lokale afdelingen onder andere in Maassluis. Het hoofdkantoor had een afdelingsstructuur: er waren afdelingen voor propaganda en voorlichting, organisatie, statistiek, inkoop en financiën.
Medio 1941 kwam de Nederlandsche Volks Dienst (NVD) tot stand. Deze moest uiteindelijk de Winterhulp en andere organisaties overkoepelen om het gehele domein van de sociale en maatschappelijke zorg voor haar rekening te nemen. De Winterhulp profileerde zichzelf als een breed en nationaal platform voor sociale zorg. De politieke oriëntatie van de organisatie viel echter niet te verhullen. Mede daardoor was haar effectieve werking minimaal.