Meike de Vlas werd in Vrouwbuurstermolen van het ijs gehaald De vrouwen van 1963

- Zoom
- Meike de Vlas in 2003. Foto Jikke van Tongeren
Deze week 45 jaar geleden is de zwaarste Elfstedentocht ooit gereden. Geen enkele vrouw is toen aangekomen in Leeuwarden. Meike de Vlas kwam tot na Franeker, tot het gehucht Vrouwbuurstermolen. Hier volgen haar herinneringen van die dag. Meike de Vlas is de moeder van roeister Eeke van Nes, die twee keer olympisch zilver en één bronzen plak won.
Meike de Vlas werd in Vrouwbuurstermolen van het ijs gehaald
"Mijn tante heeft me ingeschreven voor de Elfstedentocht van 1963. Toen ik over de tocht hoorde, belde ik haar op: “Ik wil graag aan die Elfstedentocht meedoen.” Ik volgde toen in Groningen een opleiding voor fysiotherapeut, en met de Kerstdagen hielp ik mijn tante in de bakkerij. Er was absoluut geen weerstand in mijn omgeving om mee te doen. Ik was altijd in training met roeien, en ik pikte dit gewoon mee. Ik kreeg van iedereen goede raad en waarschuwingen.
Alleen had niemand me ooit verteld me hoe lastig het was als je moest plassen. Dan moest je van de baan af. De kerels hadden het daarbij veel makkelijker. Ik ging toen ook maar gewoon naast de baan zitten en hupsakee! Klaar! Je stoorde je er niet aan als mensen dat zagen. Maar dat was wel even wennen.
De dag voor de tocht zaten we in een hotel bij het station, en zagen we iedereen binnenkomen. Er waren ook een paar dames bij. Die dag hebben we nog een eindje geschaatst. ’s Morgens om zes uur trok ik de schaatsen aan en vertrok.
Vanaf Sloten werd het licht, en begonnen ze door te krijgen: “Oh, een famke!” Bij de start had ik geen andere vrouw ontdekt. Ik zag alleen maar kerels in die grote hal waar we vertrokken. Later ontmoette ik nog wel een Friezin die tot Harlingen was gekomen.
De groep waar ik toen in meereed was niet zo groot: ongeveer achttien man. Er ging er één op kop en de rest ging erachter. Ik deed gewoon mijn kopwerk. We spraken niet veel met elkaar, we werkten hard. Eén naar voren en één naar achteren. Dat ik een vrouw was, maakte niets uit. Ik dacht bij mezelf: ‘Je doet mee en dan moet je gewoon je deel eraan doen.’ En ik was sterk. Ik werd afgerekend op mijn schaatskwaliteiten en dat is logisch. Niemand zei: “Ik neem jouw kopwerk wel even over.” Geen denken aan. Dan zou ik beledigd zijn. Alleen als ik een stempel ging ophalen was het: “Oh, een famke.”
Na Franeker werd het donker, maar het ging nog allemaal prima. Wel begon het te waaien, en de sneeuw kwam op. Om kwart voor zes kwamen we bij Vrouwbuurstermolen. Daar stonden een hele hoop mensen op het ijs. Die hielden ons tegen. We moesten van het ijs af, er zou verder nauwelijks meer te schaatsen zijn. Ik werd daar afgestempeld, en dat was het einde van mijn tocht.
Wij werden in Vrouwbuurstermolen in een bus geladen, en naar Leeuwarden afgevoerd. Toen ging ik naar mijn tante toe. Die was blij dat ze me zag, want ze hoorde de hele dag al van die dramatische verhalen. De kaart heb ik altijd bewaard, want ik ben er toch wel trots op. Ook op dat laatste stempel. ‘Restaurant De Molen’ in Vrouwbuurstermolen. Dat stempel beschouw ik als mijn kruisje.
Achteraf hoorde ik dat er twee mensen uit mijn groep toch doorgebroken zijn, en dat die het gehaald hebben, maar ik weet het niet echt zeker. Het is gewoon in mijn vergeetboek gegaan, want ik dacht dat er wel weer snel een nieuwe kans kwam. Maar de volgende tocht kwam pas 22 jaar later, en toen was ik al naar Noorwegen verhuisd en had inmiddels vier kinderen gekregen die me het leven rijk maakten. Ik heb het wel altijd jammer gevonden dat ik nooit een tocht heb uitgereden."