Hitler in Mein Kampf: "geschiedenis was mijn lievelingsvak" In Europa+ 1925: Hitler schrijft "Mein Kampf"

- Zoom
- Advertentie voor Nederlandse vertaling "Mijn Kamp" (1942)
Na Hitlers mislukte putsch met de NSDAP in 1924 in München werd hij veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Van deze straf zat hij bijna tien maanden uit; hij kwam op 20 december 1924 weer vrij. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij het eerste deel van Mein Kampf. De oorspronkelijke titel was: 'Viereneenhalf jaar strijd tegen leugens, domheid en lafheid'.
Hitler in Mein Kampf: "geschiedenis was mijn lievelingsvak"
Natuurlijk blijft Mein Kampf voor historisch geïnteresseerden een fascinerend boek. Alleen daarom dient het gewoon verkrijgbaar te zijn. Er staan zelfs boeiende stukken in. Bijvoorbeeld over Hitler's liefde voor het vak geschiedenis. HBS-leraar Leopold Pötsch bracht Hitler naar eigen zeggen het historisch inzicht bij dat hij nodig had om zijn nazistische ideologie te onderbouwen. Voor liefhebbers van "als-geschiedschrijving" komt dan de vraag bovendrijven of de geschiedenis werkelijk anders zou zijn verlopen als er aan het begin van vorige eeuw op die Linzer HBS in plaats van Leopold Pötsch een doodsaaie Oostenrijker voor de klas had gestaan.
In de Nederlandse vertaling uit 1939 van "Mijn Kamp" staat te lezen:
"Het onderwijs in algemene geschiedenis op de zogenaamde middelbare scholen is er ook heden nog zeer slecht aan toe. Slechts zelden begrijpt een leraar, dat het doel van het geschiedenisonderwijs nooit en te nimmer kan gelegen zijn in het van buiten leren en afdraaien van geschiedkundige data en gebeurtenissen, dat het er niet op aan komt, of de jongen nu precies weet wanneer deze of gene veldslag geleverd werd, wanneer die veldheer geboren werd, of zelfs een (meestal zeer onbeduidend) monarch de kroon van zijn voorvaderen op het hoofd werd gezet. Nee, dat is waarlijk al van zeer weinig belang.
Geschiedenis "leren" wil zeggen, de krachten opzoeken die de oorzaken zijn van datgene wat wij als geschiedkundig gegroeide feiten en toestanden voor ons zien. De kunst van het lezen, evenals van het leren is ook hier: het wezenlijke behouden, de bijzaken vergeten. Het werd misschien beslissend voor mijn gehele leven, dat het geluk mij juist voor geschiedenis een leraar gaf, die als zeer weinigen de kunst verstond bij onderricht en examinering dit standpunt de doorslag te doen geven.
Mijn toenmalige leraar Dr. Leopold Pötsch van de Hogere Burgerschool te Linz voldeed aan deze eis op werkelijk ideale wijze. Deze oude heer, die even goedig van karakter was als vastberaden in zijn optreden, slaagde er - vooral door een schitterende welbespraaktheid - niet alleen in ons te boeien, maar wist ons ook werkelijk mee te slepen. Nog steeds maakt er zich even een ontroering van mij meester, wanneer ik aan die grijze man - die ons in het vuur van zijn woorden menigmaal het heden deed vergeten - het verleden voor ons deed herleven en uit de nevelsluiers der eeuwen, de droge geschiedkundige herinnering tot levende werkelijkheid maakte.
Vaak bracht hij ons tot levende geestdrift, soms werden wij zelfs tot tranen geroerd. Dat geluk was des te groter, omdat onze leraar de kunst verstond het verleden juist in het licht van het heden te bezien, tevens echter om uit dit verleden de lessen voor het heden op te maken. Zo gaf hij ons dan ook, meer dan iemand anders, inzicht in al de problemen van de dag, die ons destijds steeds bezighielden. Ons klein nationaal fanatisme was voor hem een middel tot opvoeding, terwijl hij meer dan eens een beroep deed op ons nationaal eergevoel en daardoor alleen ons deugnieten spoediger tot orde bracht, dan dit door enig ander middel ooit mogelijk zou zijn geweest.
Deze leraar heeft geschiedenis tot mijn lievelingsvak gemaakt. Reeds in die tijd groeide, waarschijnlijk tegen zijn zin, uit mij de jonge revolutionair. Wie had ook zonder leiding van zo'n leraar Duitse geschiedenis kunnen studeren zonder tot vijand te worden van deze staat, welke door zijn dynastie op zo noodlottige wijze het leven van de natie beïnvloedde? Wie tenslotte had trouw kunnen blijven aan een keizer, wiens huis, zo vroeger als nu, altijd en altijd weer de belangen van het Duitse volk verried ter wille van smadelijke eigen voordelen? Dit historische inzicht in de invloed van het Habsburgse huis werd nog versterkt door de dagelijkse ervaringen.
In het Noorden en in het Zuiden vrat het vreemde volkerenvergif aan het lichaam van ons volk en zelfs Wenen werd kennelijk meer en meer een on-Duitse stad. Het aartshertogelijk Huis werd steeds meer Tsjechisch, waar dat maar enigszins mogelijk was en het was de vuist van de godin der eeuwige rechtvaardigheid en der onverbiddelijke vergelding, die de dodelijkste vijand van het Duitse bloed in de Oostmark - aartshertog Frans Ferdinand - juist deed vallen door de kogels, welke hij zelf hielp gieten. Hij immers was de beschermheer van het Slavendom in oostenrijk en het was vooral aan hem te danken dat de groeiende invloed van deze groep van bovenaf in de hand werd gewerkt.
Ongelooflijk zwaar waren de lasten die men aan het Duitse volk oplegde. Geweldig waren de offers aan geld en bloed en niettemin moest ieder, die niet stekeblind was, inzien dat dit alles tot vruchteloosheid gedoemd zou zijn. Wat ons daarbij nog het meest hinderde was het feit dat dit gehele systeem moreel gedekt werd door het bondgenootschap met Duitsland, waardoor de geleidelijke uitroeiing van de Duitse volkseigenheden in de oude monarchie nog min of meer door Duitsland zelf gesanctioneerd werd. De Habsburgse huichelarij, waarmee men het klaarspeelde naar buiten de schijn te wekken alsof Oostenrijk nog altijd een Duitse staat was, voerde de haat tegen dit Huis op tot brandende verontwaardiging en minachting.
Historisch inzicht
Alleen de officiële instanties van het Rijk, welke ook toen al de enige "bevoegden" waren, zagen van dit alles niets. Als met blindheid geslagen gingen zij naast een lijk, en meenden zelfs nog in de voortekenen der verrotting blijken van "nieuw" leven te ontdekken. In de noodlottige bondgenootschap van het jonge Rijk met de Oostenrijkse schijnstaat lag de kiem van de Wereldoorlog, maar ook van de ineenstorting. Ik zal in het verloop van dit boek mij nog diepgaand met dit probleem moeten bezighouden. Het is voldoende hier alleen nog vast te stellen dat ik - op de keeper beschouwd - reeds in mijn prilste jeugd tot een inzicht kwam dat mij nimmer meer verliet, maar dat alleen steeds dieper werd: namelijk, dat de vernietiging van de Donau monarchie eerste vereiste is voor het bestaan van het Duitse bloed en ten tweede, dat nationaal gevoel in geen deel identiek is met dynastiek patriottisme, en voor alles: dat het Habsburgse Huis een ramp was voor de Duitse natie.
Ik had reeds destijds de consequenties van dit inzicht aanvaard en voelde warme liefde voor mijn Duits-Oostenrijkse geboortegrond en diepe haat tegen de Oostenrijkse staat.
De wijze van geschiedkundig denken die mij zo op school bijgebracht werd, heeft mij nooit meer verlaten. De wereldgeschiedenis werd mij steeds meer tot een onuitputtelijke bron van voorbeelden, welke mij leerde de historische gebeurtenissen van het heden - dus de politiek - te begrijpen. Dat was niet omdat ik haar op de schoolmanier wilde "leren", maar omdat ik inzag dat zij mij het leven kon leren begrijpen. Terwijl ik er dus zodoende reeds vroeg op politiek gebied een revolutionaire overtuiging op na hield, op kunstgebied kwam ik al spoedig tot een soortgelijke mening."
Extra afbeeldingen
- Zoom
- Mein Kampf