Main Content

"Om hen voor den ondergang te behoeden" In Europa+ 1933: Professor David Cohen spreekt over Joodse vluchtelingen

  • 18 januari 2008
Beeldengroep joodse vluchtelingen (Anne Frankhuis)
Zoom
Beeldengroep joodse vluchtelingen (Anne Frankhuis)

Aanvankelijk had men in Nederland weinig begrip voor de ware aard van het Nationaal-Socialisme en zag men de machtsovername van Hitler niet als een wereldschokkende gebeurtenis.Zo schreef prof. D.Cohen, de latere omstreden voorzitter van de Joodse Raad, in het Algemeen Handelsblad in 1933 een waarschuwend artikel over de oorlogsdreiging die uitging van de machtsovername van Hitler. In zijn memoires schrijft hij daarover dat “het bleek mij wel, dat aan deze gedachte niet alleen geen geloof werd geschonken, maar dat men haar in politiek opzicht niet oirbaar vond. (…) dat men het wereldgebeuren niet mocht beoordelen vanuit het standpunt ener kleine groep of het lot dat deze getroffen had en waaraan voor een deel zij ook zelf schuld kon wezen.”

"Om hen voor den ondergang te behoeden"

Daarbij moet bedacht worden dat de bevolking aanvankelijk een veel grotere afkeer had van communistisch- Rusland dan van nazi- Duitsland. Na 1933 bleek de NSDAP een 'niet geringe' aantrekkingskracht te bezitten.[6] Vooral in de kringen die door de Russische revolutie veel geld verloren hadden.

Een fraai voorbeeld hiervan is te vinden in het al aangehaalde parlementaire debat tussen van der Goes van Naters (SDAP), de Visser (CPH) en minister van Justitie Goseling (RKPS). De Heer van der Goes had Goseling gevraagd naar zijn politiek ten aanzien van geheime NSDAP propaganda organisaties in Nederland. In hetzelfde debat had de Visser stevige kritiek op de "rechteloosheid van vluchtelingen".

Goseling gebruikt vervolgens het punt van de heer de Goes van Naters om de Visser, als lid van een partij die onder bevel staat van de Communistische Internationale (een buitenlandse organisatie) in de hoek te zetten. Tegelijk verschaft het hem een uitweg uit de vraag waarom de vluchtelingen zo rechteloos zijn.[7]

Van massale hulpacties of van een massale roep om een rechtvaardiger beleid tegenover vluchtelingen is nooit sprake geweest. Er werd wel individueel hulp geboden, maar van een beweging die voortkwam uit een massale verontwaardiging zoals in de tegenwoordige tijd wel eens wil oprispen is nooit sprake geweest.

Zo signaleerde de fractie- voorzitter van de SDAP, de heer Albarda na de kristallnacht "een groot sentiment onder het Nederlandschen volk" om hulp te bieden. Hij vraagt de regering meer te doen dan zij op dat moment deed, maar minister- president Colijn kon deze roep gemakkelijk smoren door te verwijzen naar de grote aantallen, de economische druk en bovenal op een ondergrond van anti- semitisme dat alleen maar aangewakkerd zou worden. "Dat zeg ik in het belang van onze Nederlandsche Joden zelf. In dezen tijd is geen enkel volk van huis uit volkomen vrij van anti- semitisme: de sporen ervan worden ook in ons land gevonden en wanneer men nu ongelimiteerd een stroom vluchtelingen uit het buitenland hier zou binnen laten, zou het noodzakelijk gevolg ervan zijn, dat de stemming in ons eigen volk ten opzichte van de Joden een ongunstige kentering zou kunnen ondergaan."[8]

Hier liet Colijn duidelijk zijn oren hangen naar het sentiment dat de NSB opriep. Dat dit standpunt een reactie is op de NSB en de regering Colijn met deze zienswijze zonder veel protest kon instemmen blijkt onder meer uit het memorie van antwoord bij de Rijksbegroting van 1938. "Vermeden moet worden alles wat de strekking heeft duurzame vestiging in ons reeds zo dicht bevolkte land te bevorderen. Het laatste gezichtspunt is ook van belang voor wat het standpunt betreft van die leden, die van mening zijn, dat tegen toelating van vreemdelingen op Nederlandsch grondgebied met kracht dient te worden opgekomen, daar een verder binnendringen van vreemde elementen schadelijk zou zijn voor de handhaving van het karakter van den Nederlandschen stam. Ook de Regeering is van oordeel, dat in beginsel ons beperkt territoir voor de eigen bevolking moet blijven gereserveerd."[9]

De Nederlandse regering werd na de Kristallnacht toch door het parlement gedwongen de toelatingsquota te versoepelen van 2000 naar 7000, uiteindelijk neerkomend op 10.000 toegestane vluchtelingen.[10]

De al genoemde Albarda illustreerde zijn oproep meer mensen na de Kristallnacht toe te laten aldus: "Ik denk ook aan de dingen die zich gisteren hebben voorgedaan op Schiphol. Wanneer de beschrijving daarvan welke de couranten van heden morgen hebben gebracht, juist is, kan men niet anders zeggen dan dat zich toonelen hebben afgespeeld, welke hartverscheurend moeten worden genoemd. Het feit, dat menschen, die daar zijn aangekomen en waarschijnlijk niet allen in het bezit zijn geweest van de papieren in zoodanigen staat, als noodig is om hier verblijf te krijgen, per keerend vliegtuig moesten worden teruggezonden terwijl een enkele van hen zelfs in een zoodanige gemoedbeweging was, dat men het onverantwoord achtte hen in een vliegtuig te plaatsen, zoodat men hen tusschen twee rechercheurs met een auto heeft teruggebracht over de Duitsche grens, die hij meende in de goede richting te hebben gepasseerd, heeft mij zoodanig aangegrepen, dat ik mij afgevraagd heb of dit wel het juiste beleid is geweest."[11]

Toch won ook bij hem het ijzingwekkende realisme van die tijd. Tot zijn eigen achterban, die veel meer geneigd was vluchtelingen in grote getale op te nemen, sprak hij: "Zoo onbeperkt als wij in 1914 de vluchtelingen uit Antwerpen in ons land hebben toegelaten, van wie verwacht kon worden, dat zij eerlang naar België zouden terugkeren, kunnen wij thans geen toegang tot ons land verschaffen. Het is onaangenaam dat het niet kan, maar het kan niet."[12]

(bron: Daan Diederiks: http://www.theamsterdampost.com/aphistories/2005/01/de-nederlandse-politiek-en_110665691900534480.htm)