Main Content

Artistieke film over de crisisjaren In Europa+ 1936: Max de Haas maakt "De ballade van den hoogen hoed"

  • 25 januari 2008
Jo de Haas bij de opname van
Zoom
Jo de Haas bij de opname van "Ballade van den hoogen hoed" (1936)

Joris Ivens kreeg de naam, maar hij was zeker niet de enige Nederlandse filmer die in de jaren dertig succesvol met het nieuwe medium experimenteerde. Max de Haas verwierf met zijn films eveneens aanzien tot over de landsgrenzen. Zijn beroemdste en meest artistieke film is ongetwijfeld "De ballade van den hoogen hoed", gemaakt in 1936. De film is een prachtige beschouwing van de crisisjaren, met een hoge hoed als hoodrolspeler. In 1937 werd de film als Nederlandse inzending gedraaid op het filmfestival van Venetië.

Artistieke film over de crisisjaren

Filmhistoricus Bert Hogenkamp schrijft in zijn boek "De Nederlandse documentaire film 1920-1940" over "De ballade van den hoogen hoed":

Max de Haas had al lange tijd rondgelopen met het idee voor een film, waarin een hoge hoed de hoofdrol zou spelen. Kort na de verhuizing van Visie Film in 1935 naar een nieuw onderkomen in de Amsterdamse Haringvliet-straat was er in de pers al sprake van de produktie van deze film. Het zou echter tot de lente van 1936 duren, voordat met de film begonnen kon worden. Max de Haas moest hemel en aarde bewegen om deze 'vrije' film van de grond te krijgen. Het ging om een onderwerp waarvoor nimmer een opdrachtgever te vinden was. Max de Haas zocht en vond in de persoon van Herman Wassenaar iemand die in film geïnteresseerd was en bereid was een fiks deel van de produktiekosten (f 7000) voor zijn rekening te nemen. Omdat Ab Keyzer in de loop van 1935 uit Visie Film was getreden, moest Max zich zelfs weer met Jo de Haas verzoenen. Max de Haas zag in hem de cameraman met de kwaliteiten om de film tot een succes te maken. Via assistent-cameraman Charles Breyer werd de kunstenaar en decorbouwer Job Habold aangetrokken.

Voor de produktie van BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED werd de zaal van 'De Brakke Grond' te Amsterdam als een primitieve filmstudio ingericht, waar de binnenopnamenwerden gemaakt. De stad Amsterdam bood genoeg pittoreske plekjes, van de Montelbaenstoren tot de Vrolikstraat, voor de buitenopnamen. Max de Haas maakte gebruik van de beroepsacteur Chris Baay voor de rol van de huwelijkskandidaat tegen wil en dank, maar de overige rollen werden vervuld door 'typages', mensen die vaak letterlijk van de straat gehaald waren. Job Habold herinnerde zich hoe de bruiloftsscène door de grote hoeveelheden alcohol, die deze 'typages' tot zich namen, een uiterst realistisch karakter kreeg en tenslotte op een gigantische vechtpartij uitliep, toen een matroos zijn vrouw met een andere man zag dansen. Habold kreeg verder de indruk dat er een hecht team aan het werk was, met Max de Haas als regisseur heel rustig op de achtergrond en Jo de Haas als cameraman die de continuïteit van de opnamen in de gaten hield.

BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED begint bij een visser aan de voet van de Montelbaenstoren. In de gracht drijft een hoge hoed voorbij. De boterhammetjes van de visser zijn verpakt in een krant, waarin een foto te zien is van diplomaten op een Volkenbondsconferentie. Daar hangt de hoge hoed aan de kapstok. Vervolgens wisselt hij van eigenaar, van de diplomaat naar een bruidegom, van begrafenis naar veiling, van een dronkaard naar een voddenman, van een zwarte muzikant naar jongetjes die ermee voetballen, totdat de hoed in de gracht terechtkomt en aan de visser voorbij dobbert. Hiermee was het filmverhaal rond.

De scènes in BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED waren met elkaar verbonden door zogenaamde 'bruggetjes', een soort audiovisuele gedachtesprongetjes. , Max de Haas benutte verder de gelegenheid tot het maken van visuele grappen. Zo liet hij een viertal kale hoof-den, gefilmd in vogelperspectief, 'uit elkaar waaieren'. De muziek van Cor Lemaire was een zelfstandig onderdeel en voerde als het ware een dialoog met de beelden en de beeldmontage.

In oktober 1936 presenteerde Visie Film BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED aan de pers. De katholieke criticus A.van Domburg wijdde een lovend artikel aan de film: 'Allereerst de vredesconferentie, die op een gegeven moment in den vorm van hooge hoeden als het ware aan een paar kapstokken hangt. Terwijl de heeren confereeren hooren we geen enkel woord (O! filmindustrie!) maar om de beelden heen davert oorlogsgerucht. De heeren halen hun vulpenhouders voor den dag. Ze staan diagonaalsgewijs op een rijtje, het beeld verspringt: geweerloopen worden gericht. De penhouders zakken, de geweren zakken. De penhouders schrijven en een salvo gilt door de ruimte. En hiermede werd een stuk film gemaakt, dat niet anders meer kan genoemd worden dan Film en dat volledig de mogelijkheden aanwijst, die een consequente toepassing van de filmtaal bieden kan. Wat in theorie reeds vaak verdedigd en vaag betoogd werd, vond hier een practische toepassing, welke geen twijfel meer overlaat. (...) En tenslotte, om een laatste voorbeeld te noemen, is daar de voetballerij met den hoogen hoed, waarbij het geluid de aanwezigheid van duizenden voetbalsupporters suggereert door met een geestdriftig gehuil het straatje te vullen, waarin de jongens den held mishandelen. Een sprekender voorbeeld van geluidsmontage bestaat er niet of nauwelijks in de filmproductie.'

Het idee van de film -een hoge hoed die een dwarsdoorsnede van de maatschappij geeft was ontleend aan de Duitse 'Querschnittfilm'. De Hongaarse filmtheoreticus Béla Balázs had dit begrip in zijn boek "Der Geist des Films" (1930) ontwikkeld. Aanleiding was een film waarvoor Balázs zelf het script had geschreven, DIE ABENTEUER EINES ZEHNMARKSCHEINES (1926), waarbij een bankbiljet dezelfde functie vervulde als de hoge hoed in de Visie Filmproduktie. Balázs: 'De scènes van zo'n "Querschnitt-film" zijn natuurlijk ook bedacht en hun volgorde precies uitgekiend. Maar het lijkt niet alsof ze elkaar opvolgen, maar dat ze gewoon achter elkaar gezet zijn, zonder spanningsopbouw en hoogtepunt, gelijkwaardig in hun horizontaal naast elkander. Het is alsof er even goed meer of ook minder scènes getoond konden worden. Het schijnt zonder vooropgezet doel, onopzettelijk bekeken, door de camera geregistreerd en niet eerst als verhaal gestructureerd te zijn. Het heeft de geloofwaardigheid van het toeval.'

Een andere filmtheoreticus, Siegfried Kracauer, zag in de 'Querschnittfilms' echter 'de meest zuivere uiting van Nieuwe Zakelijkheid op het witte doek. Hun zo-is-het-leven stemming verdrukte wat er aan socialistische gevoelens in verwerkt was.'

Voor Van Domburg was het 'Querschnitt'-karakter van BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED de kern van de zaak: 'deze film (is) een betoog voor de karakteristieke filmstof. De film zocht tot dusver voornamelijk haar stof in bestaande romans en tooneelstukken, die de film gemakkelijk konden binden aan een gegeven, dat niet bepaald om een film vorm riep. Hier echter ontstaat de werkelijke inhoud van de film uit den toegepasten vorm, die een stof te verwerken kreeg, welke voor honderd procent op den vorm ingesteld werd gekozen. (...) In ieder geval zullen zij, die in hun studie van de geluidsfilm steeds zijn opgekomen voor de actieve en creatieve rol van het geluid als tegenstelling met de tooneelmatigheid der absurde, sprekende en zingende schimmen, in DE BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED op overtuigende wijze de juistheid van hun stellingen bevestigd hebben gezien.'

Een onbekende criticus stelde Kracauer in het ongelijk, want hij ergerde zich aan de politieke stellingname van de film: 'Nederland laboreert nog steeds aan avant-gardisme en dus is de Volkenbond nog steeds de verzameling van helsche machten in den vorm van diplomaten die oorlog maken en er zelf rijk bij worden. Men krijgt derhalve de
bekende Grüne Tisch-achtige scènes te zien van soldaten, wapenen, en verdragen signeerenden staatslieden: een en ander op zeer filmische en uiterst armzalige manier.'

Eén geslaagde persvoorstelling betekende echter nog niet dat BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED in de Nederlandse bioscopen te zien was. Integendeel, Visie Film was geen lid van de NBB en de Bond verbood handelsverkeer met niet-leden. Bovendien had de NBB met de Centrale Commissie voor de Filmkeuring afgesproken alleen gekeurde films aan de pers te vertonen en op het tijdstip van de persvoorstelling was DE BALLADE nog niet ter keuring aangeboden. Hierover was de Commissie duidelijk gepikeerd. Visie Film werd alsnog lid van de NBB, maakte gebruik van de goede kritieken om de film bij het distributiekantoor Filmex onder te brengen en verzoende zich met de Centrale Commissie voor de Filmkeuring.

In januari 1937 ging DE BALLADE in het Amsterdamse Tuschinski Theater en het Rotterdamse Grand Theater in première.53 Hoe belangrijk goede relaties waren met David van Staveren, de voorzitter van de Centrale Commissie voor de Filmkeuring, werd duidelijk bij de selectie van de Nederlandse films voor het Filmfestival van Venetië -toen het enige filmfestival met internationale reputatie. De selectie van Nederlandse films werd namelijk geheel aan Van Staveren overgelaten, die voor het festival van 1937 twee films van Georg Pal en BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED uitkoos.

Alle goede kritieken ten spijt, veranderde BALLADE VAN DEN HOOGEN HOED weinig aan de dagelijkse gang van zaken bij Visie Film. Er waren slechts drie kopieën van deze 'vrije' film in omloop, die dus met moeite uit de kosten kon komen, laat staan de associatie een financiële injectie geven.