Main Content

Geschiedenis van christelijk antisemitisme moet blijvend bestudeerd Was Luther verantwoordelijk voor Hitler?

  • 25 januari 2008
Zoom

Een kleine historikerstreit tussen theologen over Luther als vroege baanbreker voor het moorddadig antisemitisme van Hitler. Dat is wat wel eens zou kunnen ontstaan op de studiedag ‘Luther en zijn leugens. Antisemitisme in het hart van de christelijke theologie’, die maandag 28 januari in Amsterdam gehouden wordt. Aanleiding voor de studiedag, het boek ‘Luthers theologisch testament. Over de Joden en hun leugens’ van de theoloog en Lutheronderzoeker R. Süss.

Geschiedenis van christelijk antisemitisme moet blijvend bestudeerd

Mag er een lijn gelegd worden van Luther naar Hitler? Die vraag houdt Lutheranen en christenen in het algemeen al geruime tijd bezig en speelt – toevallig of niet – weer op in deze week van de holocaustmemorial. De kwestie werd in 1981 al aangeroerd door de Nederlandse reformatiekenner en Lutherbiograaf Heiko A. Oberman in zijn even degelijke als onthutsende kleine studie ‘Wortels van het antisemitisme’. Oberman wees in dit boek als een van de eersten op het onverteerbare geschrift Von den Juden und ihre Lügen’ van de oude Luther uit 1543. Daarin schreef de reformator dat ‘een christen naast de duivel geen giftiger, bitterder vijand heeft dan een jood’.

Oberman waarschuwde echter om in de anti-joodse retorica van Luther zomaar een ‘heimelijke rassen- en Herren-theorie’ te zien. Er was een verband, maar dat was geen eenvoudig verband. Bovendien was het christelijk gefundeerd antisemitisme bijna bon ton in de dagen van de reformatie, ook Erasmus zou er aan geleden hebben. Voor Luther gold in elk geval dat zijn weerzin tegen de joden niet hun afkomst en aard gold, maar hun ontkenning van de christelijke geloofswaarheden. ‘Joden, paus en Turken’ waren een bedreiging voor de christenen die zeer spoedig de eindtijd zouden beleven en bij voorkeur met reine ziel de dag des oordeels tegemoet moesten kunnen zien. Dat was, aldus Oberman, een soort algemeen gevoel onder protestanten, dat door Luthers bijzonder scherp verwoord werd.

In dat licht ook moet een van de meest gruwelijke passages uit Luthers geschrift gezien worden. De reformator schreef in 1543 dat ‘men hun synagogen in brand moet steken en wie er toe in staat is werpen er zwavel en pek bij en vuur uit de hel. Dat zou erg goed zijn, opdat God ziet dat het ons ernst is en de hele wereld dit voorbeeld ziet.’

Kortom, geweld tegen ketterse joodse instellingen was christenplicht in het kader van een soort persoonlijke voorbereiding op de jongste dag. Op deze wijze, geloofde Luthers, zou de christen als het ware bonuspunten kunnen verwerven voor de nabije Apocalyps, aldus Oberman.

De beruchte passage wordt ook door R. Süss in zijn dissertatie uit 2005 geciteerd, naast overigens andere teksten van de vader van de reformatie, die er ook niet om liegen. Anders dan Oberman is Sus geneigd een korte weg van Luthers naar Hitler te schetsen. Hierin, zegt Süss, weet hij zich gesteund door Duitse historici. Een van hen zei onlangs in Der Spiegel ‘dat de Lutherse traditie de hoofdoorzaak is geweest van Hitlers slagen’.

Süss hoopt dat de studiedag ertoe bijdraagt dat de Lutheranen en andere christenen ‘ruiterlijk toegeven hoe fout Luther was als het om de joden ging en hoe verantwoordelijk hij was voor wat er op het algemene antisemitisme zou volgen.