Main Content

Opnames van de winnaar van 1917 De oudste filmbeelden van de Elfstedentocht

  • 11 november 2008
Coen de Koning poseert in Hindeloopen voor de filmcamera tijdens de Elfstedentocht van 1917 (still uit film
Zoom
Coen de Koning poseert in Hindeloopen voor de filmcamera tijdens de Elfstedentocht van 1917 (still uit film "Holland in ijs" van Willy Mullens: Filmmuseum Amsterdam)

De Elfstedentocht is een dankbaar onderwerp voor filmers. De laatste jaren is veel onbekend materiaal gevonden, zoals kleurenbeelden uit 1963. De grootste sensatie was in februari 2007, toen er filmbeelden opdoken van de tocht van 1917 - ruim tachtig jaar geleden! Deel 2 in de elfdelige serie over de honderdjarige geschiedenis van de Elfstedentocht.

Opnames van de winnaar van 1917

In 2007 was het multimedia-project ‘De Elfstedentocht gaat door!’ Hiervoor werd onder meer een speciale tv-uitzending gemaakt met alle nog levende winnaars van de Elfstedentocht. Tijdens de research werden filmbeelden uit 1917 gevonden, waarop winnaar Coen de Koning is te zien in Hindeloopen. Deze opname was verstopt in een oude nitraatfilm van Willy Mullens.

In zijn ongepubliceerde memories schreef De Koning hierover: ‘Bij de burgemeester stond een fotograaf met een filmapparaat en de burgemeester vroeg mij even voor hem te willen rijden. Ik heb hieraan voldaan, en toen ging ik op weg naar Stavoren.’

De Koning uit het Noord-Hollandse Edam is één van de meest markante winnaars van de Elfstedentocht. Hij won zowel de editie van 1912 als 1917 en was daarmee de eerste winnaar van buiten Friesland. De Koning is ook de enige schaatser die de Elfstedentocht won, Nederlands kampioen allround was, een werelduurrecord reed én wereldkampioen werd.

Juist van hem bestaan er dus bewegende beelden, maar tijdens het onderzoek werd nog iets heel bijzonders gevonden. Zijn kleinzoon Coen Rams overhandigde de redactie de complete memoires van zijn schaatsende grootvader, waarvan slechts delen bekend waren bij een breder publiek. Hierin legde de Elfstedenwinnaar zijn hele leven vast op papier.

‘Ik ben geboren op 30 maart 1879 te Edam,’ opende hij chronologisch verantwoord. ‘Mijn vader was Jacobus de Koning, geboren te Prinsenbeek bij Breda. Mijn moeder was Catharina Maria Elisabeth Turkenburg, geboren te Delft, Zuid-Holland. Toen ik 22 jaar was, had ik zes broers en vier zusters. Dus een gezegend huishouden. Mijn vader was aannemer, metselaar en stukadoor.’

In 1912 was De Koning toevallig in Deventer voor provinciale schaatswedstrijden toen hij hoorde van een grote schaatstocht door Friesland. Hij schreef hierover: ‘Ik stelde mij telefonisch in verbinding met het bestuur van de Friese Elfsteden en vroeg of deze zou doorgaan, waarop ik een bevestigend antwoord mocht ontvangen. Dus ben ik op de trein gestapt naar Leeuwarden. Ik had van de Friese Elfstedentochtwedstrijd nooit eerder gehoord.’ Tweehonderd kilometer later had hij deze gewonnen, ondanks klachten die tegen hem waren ingediend.

In 1917 deed hij opnieuw mee en was toen zo snel dat er geen stempelposten waren. Daarom moest hij in een café een krabbel halen. ‘Later hoorde ik dat er geen controleurs waren, omdat ik volgens schema overal anderhalf uur te vroeg was aangekomen.’ Hij won opnieuw en werd de eerste die de Tocht twee keer op zijn naam schreef.

Naast bewegende beelden en deze memoires is er een radio-interview uit 1954 met het VARA-programma ‘Zestig minuten voor boven de zestig’. Het was vlak voordat De Koning zou overlijden en werd daarmee zijn laatste publieke optreden. De Koning sprak met Evert Garritsen over zijn twee Elfstedenzeges, en deed aan het slot een uiterst emotionele oproep. De Elfstedenheld barstte in tranen uit nadat Garristen vroeg of De Koning nog een boodschap had voor de jeugd. Zonder aanwijsbare redenen snotterde De Koning met overslaande stem dat de jongeren serieus voor de sport moesten leven, zoals hij ook altijd had gedaan.

Coen Rams gaf in het nawoord van de memoires van zijn grootvader een aanwijzing voor die emoties: ‘Coen de Koning verwachtte van jongeren dat zij dezelfde discipline opbrachten als hij altijd had gedaan. Dat bleek in de meeste gevallen te veel gevraagd.’