Maar Amsterdam trapte er niet in Ajax wilde met gemeentegeld topspelers kopen

- Zoom
- Het Ajax-embleem
Begin jaren zeventig heeft Ajax aan de gemeente Amsterdam subsidie gevraagd om daarmee dure topspelers te kunnen kopen. Dat staat in het rapport 'Betaald Voetbal in Amsterdam' uit 1974. De stad weigerde, maar had wel het idee om een futuristisch stadion te bouwen in Zuid-Oost.
Maar Amsterdam trapte er niet in
Aan het begin van de jaren zeventig zochten Ajax en F.C. Amsterdam contact met de gemeente voor financiële steun. Omdat de stad dit goed voorbereid wilde aanpakken, werd in 1973 de Commissie Betaald Voetbal opgericht. Onder leiding van sportjournalist en gemeenteambtenaar Rien Bal bespraken de leden hoe die steun eruit zou kunnen zien.
Ajax schuwde hierin de bluf niet, blijkt uit het commissierapport van 1974. Tijdens een gesprek met de commissieleden benadrukte het clubbestuur dat de grote naamsbekendheid van de stad vooral te danken was aan Ajax. Dat moest maar eens worden gehonoreerd door de gemeente: ‘Door de aankoop van een topspeler, indien Ajax dat niet uit eigen middelen zou kunnen realiseren.’
Uit deze houdgreep wist de gemeente zich op charmante wijze te ontworstelen: ‘Het komt de Commissie voor, dat deze – hypothetische – problematiek zich op dit moment slecht leent voor een uitspraak.’
‘We hebben het in ieder geval geprobeerd’, zullen de Amsterdamse voetbalbestuurders schouderophalend hebben gedacht toen ze het rapport lazen; wetende dat het ook geen structurele oplossing zou zijn geweest. De commissie kwam daarom met een ander idee: een multifunctioneel sportstadion in Zuid-Oost als thuisbasis van zowel Ajax als FC Amsterdam.
De reden was simpel: ‘Het is duidelijk (en begrijpelijk) dat de thans aanwezige stadions niet meer voldoen aan de eisen van het publiek nu en in de (nabije) toekomst.’ Gewaagde ideeën zijn daarom nodig: ‘Het moge utopisch lijken zich met een visioen bezig te houden. Maar werkelijk functioneel-geavanceerde bouwwerken zijn altijd ontstaan uit visioenen die hun tijd ver vooruit waren.’
We proeven hier bijna de sigarenrook, die plakt tegen het plafond van de vergaderruimte, en waarop de dromerige commissieleden hun fantasieën werkelijkheid zien worden. Voor de zekerheid schreven ze erbij: ‘Men denke aan de fabriek van Van Nelle of aan het Theater Tuschinski!’
In die sigarenrook zagen ze al een voorbeeld: Astrodome in het Amerikaanse Houston. Daar stond een multifunctioneel stadion voor voetbal, basketbal, boksen en rugby. Dat had de beschikking over verrijdbare tribunes, ‘zodat deze steeds passen bij de afmetingen van het speelveld’. Net als in Texas moest Amsterdam een stadion krijgen met een speelveld dat in vijftien minuten kon worden verwijderd voor iets anders. ‘Het effect voor de Gemeente is indrukwekkend’, verzucht het rapport. ‘Niet alleen als toeristische attractie, maar ook vanwege de grote aantrekkingskracht voor allerhand evenementen.’
Tegelijk met de sigarenrook vervloog dit idee, want er is nooit meer iets van vernomen. Toch moet deze commissieleden 34 jaar later worden meegegeven dat ze in die rook de eerste contouren zagen van de Amsterdam Arena, die in 1997 1996 werd geopend.
Vijftien jaar later keek Uri Coronel dromend in zijn sigarenrook. Hij was toen bestuurder van Ajax en heeft het in 2008 geschopt tot clubvoorzitter. In 1989 vertelde hij in Het Parool hoe zijn favoriete Ajax-stadion eruit moest zien:
“Het heeft een capaciteit van 45.000 tot 55.000 zitplaatsen – alleen zitplaatsen. En die zijn allemaal overdekt. Er is geen atletiekbaan, zodat je niet te ver van het veld zit. Maar rotjesgooiers moet ’t ook niet te gemakkelijk worden gemaakt, dus ligt er een gracht om het veld, zodat er toch enige afstand is. Geen hek, dat belemmert het zicht maar.”
Waarmee we aan het slot van een artikel over stadiondromerij toch nog een vervulde ambitie hebben gevonden.